Woensdagmiddag 12 februari. De voorstelling van het jaarverslag van de Nationale Bank nadert haar einde. Gouverneur Pierre Wunsch doorloopt de laatste slides. Daarop staat dat de toestand van de Belgische overheidsfinanciën in 2019 aanzienlijk is verslechterd. Het begrotingstekort liep op van 1,8 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 tot 2,4 procent vorig jaar. Maar vooral: het Belgische begrotingstekort zou in 2021 met 2,6 procent bijna het hoogste van de eurozone zijn. Enkel Italië scoort slechter.
...

Woensdagmiddag 12 februari. De voorstelling van het jaarverslag van de Nationale Bank nadert haar einde. Gouverneur Pierre Wunsch doorloopt de laatste slides. Daarop staat dat de toestand van de Belgische overheidsfinanciën in 2019 aanzienlijk is verslechterd. Het begrotingstekort liep op van 1,8 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2018 tot 2,4 procent vorig jaar. Maar vooral: het Belgische begrotingstekort zou in 2021 met 2,6 procent bijna het hoogste van de eurozone zijn. Enkel Italië scoort slechter. Maar op dat moment werd ervan uitgegaan dat het zo'n vaart niet zou lopen. De komende maanden zou een regering met volle bevoegdheden maatregelen nemen om de verdere ontsporing van de publieke financiën tegen te gaan, of zou de regering in lopende zaken budgettair het heft in handen nemen. Een goede maand later wordt niet meer gediscussieerd of het begrotingstekort al dan niet richting 3 procent van het bbp gaat. Dat is onvermijdelijk geworden, gezien de recessie die zich aankondigt door de gevolgen van de coronacrisis. "Wat toen is gezegd, mag je vergeten", zegt Herman Matthijs, hoogleraar overheidsfinanciën aan de VUB en de Universiteit Gent en lid van de Hoge Raad van Financiën. "De Europese Commissie belooft maximale flexibiliteit bij het begrotingsbeleid. Italië zal een gigantische klap krijgen. Het tekort in dat land, en ook in andere landen, gaat over 3 procent." Vorige vrijdag raakten de cijfers van het Monitoringcomité bekend. Het begrotingstekort loopt dit jaar op tot 2,77 procent van het bbp: 11,2 miljard euro voor de federale overheid en de sociale zekerheid (2,3%), en 2,3 miljard euro de deelstaten en de lokale besturen (0,4%). Maar dat is zonder de impact van de coronacrisis op de economische groei en de overheidsinkomsten gerekend. Om nog te zwijgen over de extra uitgaven die de crisis meebrengt. De regering-Wilmès heeft besloten 1 miljard euro extra vrij te maken voor de bestrijding van de coronacrisis. Het Planbureau had het onlangs over een begrotingstekort van 2,5 procent van het bbp bij een groei van 1,4 procent in 2020. De meeste bankeconomen hebben de groeivooruitzichten neerwaarts bijgesteld. Bij een groei van 0,7 procent loopt het begrotingstekort op tot 3 procent van het bbp. Bij een nulgroei zitten we aan 3,4 procent. "Een stringent begrotingsbeleid is bedacht om situaties als deze op te vangen", zegt Voka-econoom Bart Van Craeynest. "Ik ben niet geobsedeerd door een begroting in evenwicht. Ik geef de voorkeur aan maatregelen op lange termijn die de uitgaven beheersbaar houden. Er moet een marge zijn om tijdelijke schokken of problemen op te vangen. Die is er niet." Dat is niet nieuw. België zit in een vergelijkbare situatie als in 1973, toen de belangrijke olieproducenten in het Midden-Oosten de kraan dichtdraaiden. Erik Buyst, hoogleraar economische geschiedenis aan de KU Leuven, ziet parallellen: "Toen waren we evenmin goed voorbereid. Het begrotingstekort bedroeg 4 procent van het bbp en het Europese gemiddelde was 0,5 procent. 1973 was economisch nochtans een zeer goed jaar. Hetzelfde met de overheidsschuld. Het Belgische overschot bedroeg 60 procent van het bbp, terwijl Europa aan 40 procent zat. Dat verklaart waarom de overheidsfinanciën in België zo snel uit de haak zijn geschoten. Je moet het niet op de olieschok steken, we waren daarvoor al slecht bezig. Dat is vergelijkbaar met vandaag. We zijn slechter voorbereid dan Nederland of Duitsland." De twee oliecrisissen, die van 1973 en 1980, en de daaraan gekoppelde economische neergang leidden tot een nooit gezien begrotingstekort van 16 procent van het bbp. Een devaluatie, indexsprongen en zware saneringen moesten de Belgische economie in 1982 opnieuw op het spoor krijgen. Zo erg is het deze keer nog niet. "Een crisis is een tijdelijk probleem. Maar niemand weet hoelang dit zal aanslepen", zegt Van Craeynest. De horeca, die zwaar wordt geraakt, is goed voor 1,9 procent van het bbp. Met toerisme, luchtvaart, sport en cultuur erbij zitten we aan 3 procent. "Hoe langer dit duurt, hoe meer sectoren worden getroffen. Steunmaatregelen zijn nodig om te vermijden dat een tijdelijke moeilijke situatie structureel wordt. De bedrijven mogen niet in liquiditeitsproblemen komen. Het is niet de bedoeling dat gezonde bedrijven failliet gaan." De regeringen spelen daarop in met maatregelen, zoals een uitstel van de betaling van sociale bijdragen en taksen, steun voor de horecasector en tijdelijke werkloosheid. In dat laatste geval hoeven bedrijven werknemers niet te ontslaan, maar krijgen ze een uitkering die gelijkstaat aan de werkloosheidsuitkering zolang ze niet werken. "De vraag is of die maatregelen voldoende zullen zijn", zegt Herman Matthijs. "En bedrijven die hun RSZ of belastingen nu niet betalen, moeten dat over enkele maanden wel doen." "Ik zou opletten met bepaalde steunmaatregelen", waarschuwt Van Craeynest. "Een verlaging van de btw op elektriciteit van 21 naar 6 procent, een eis die sinds de verkiezingen vaak terugkomt, zou de koopkracht moeten versterken, maar België is als exportland sterk afhankelijk van het internationale herstel." Er wordt ook een vergelijking gemaakt met de financiële crisis van 2008-2009. Toen gaf de Europese Commissie de toestemming in het rood te gaan om de impact van de crisis te verzachten. Er mocht 1,2 procent van het bbp extra worden gespendeerd. Dat gebeurde via hogere uitgaven voor uitkeringen en investeringen. Ook mochten belastingen worden verlaagd. Zo werd in België besloten de btw op nieuwbouwwoningen te verlagen om de bouwsector te ondersteunen. De Belgische relancemaatregelen lagen met 0,5 procent van het bbp wel onder het Europese gemiddelde van 1,1 procent. In 2007 had België bijna een begroting in evenwicht, in 2008 daalde het naar 1,5 procent en in 2009 bedroeg het tekort 6 procent van het bbp. Economen zien een zware recessie, minder inkomsten en extra overheidsuitgaven het tekort nu richting 5 procent van het bbp stuwen. "We zitten nog niet aan die 6 procent", zegt Matthijs. "De vraag is hoelang de crisis aanhoudt. Dat weten we niet. Een financiële crisis is ook iets anders dan een gezondheidscrisis. Misschien zal men de uitgaven voor de aanpak van de coronacrisis buiten de begroting boeken. De kosten van de asielcrisis kregen een vergelijkbaar statuut. Veel hangt af van hoeveel extra maatregelen de regering nog kan nemen. Ik denk niet dat ze direct alle ingrepen heeft gelanceerd. De federale regering kan later nog beslissen bijvoorbeeld de btw voor de horeca te verlagen." In 2009 daalden de Belgische fiscale inkomsten door de financiële crisis met 8,14 procent. In 2010 volgde al een stijging met bijna 6 procent. "De Nationale Bank voorspelde dat de overheidsinkomsten zouden dalen van 51,4 naar 50,3 procent van het bbp", zegt Van Craeynest. "Dat komt door de belastingverlagingen, maar de overheidsinkomsten liggen nog altijd zeer hoog. Dat is een gevolg van de hogere fiscale druk." De goed draaiende arbeidsmarkt speelt ook een rol. Werkende Belgen zorgen voor extra belastingen en sociale bijdragen. De werkloosheidsgraad daalde vorig jaar onder 6 procent. Sinds 2016 kwamen er op jaarbasis minstens 58.000 banen bij. Komt daar straks verandering in? Van Craeynest: "De verhalen over 70.000 extra banen per jaar moet je niet meer geloven. Maar ik verwacht geen massale ontslagen of een spectaculaire stijging van het aantal werklozen. Dat was met de financiële crisis in 2009 ook minder erg dan gedacht." Herman Matthijs is minder optimistisch. "De werkloosheid steeg met de financiële crisis van 7 tot 10 procent. Nu zie ik die ook toenemen, met bijna 5 procentpunten." Erik Buyst trekt opnieuw een vergelijking met de oliecrisis: "In 1973 was de werkloosheid zeer laag. De concurrentiekracht was goed, maar dat is snel uit de hand gelopen. De loonkosten stegen door de loon-prijsspiraal. De hogere olieprijzen joegen de inflatie aan en via het automatische indexeringsmechanisme stegen de loonkosten snel, soms met drie indexaanpassingen per jaar. Dat woog ook op de overheidsfinanciën, want de lonen van ambtenaren en de uitkeringen stegen snel. De Belgische bedrijven werden uit de markt geprijsd. Onze concurrentiekracht is niet fantastisch, maar niet zo desastreus als in de jaren zeventig. Dat is een van de weinige voordelen in vergelijking met vorige crisissen."