Toen ik deze OESO-cijfers met bijbehorende grafiek vorige week in de media zag opduiken, vielen mij een aantal zaken op. Ik moest onmiddellijk aan de Vlaamse sterrenchef Piet Huysentruyt denken en zijn fameuze oneliner: "Wat hebben we vandaag geleerd?" De OESO-cijfers kunnen ons veel leren. Maar nog belangrijker is: wat doen we eraan?

Ten eerste. België is onbetwist koploper wanneer het gaat om het betalen van belastingen en sociale bijdragen. Voor elke 100 euro die een werkgever als loonkosten betaalt, rijft de overheid 53 procent binnen. In geen enkel ander Europees land werkt men meer dan de helft van het jaar voor de overheid. Ondanks het feit dat er tijdens de voorbije legislatuur een belangrijke stap in de goede richting werd gezet - vóór de Zweedse coalitie van start ging, bedroeg de afroming door de overheid zelfs meer dan 55 procent - blijven we daarin wereldkampioen. Is het dan te verwonderen dat bij een opslag of een bijzondere bonus de werknemer uitroept: "Blijft er dat maar van over!" en dat de werkgever zich afvraagt: "Kost het mij zoveel voor wat er netto overblijft?" De zoektocht naar minder belaste voordelen hoeft dan ook niemand te verbazen.

Ten tweede. In de opdeling tussen personenbelasting, werknemersbijdragen en werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid zijn we koploper qua personenbelasting (20%). Voor de werkgeversbijdragen zitten we in de kopgroep, maar rijden we zelf niet op kop. Dezelfde vaststelling geldt voor de werknemersbijdragen. De superprogressiviteit in het Belgische stelsel van de personenbelasting is daaraan niet vreemd. Vanaf een inkomensschaal op jaarbasis van om en bij 40.000 euro beland je al in het hoogste belastingtarief van 50 procent. Nergens in Europa is dat zo.

Ten derde. Hoe zuidelijker in Europa, hoe hoger de bijdragen van de bedrijven. De landen ten noorden van België gaan voor een evenwichtigere balans tussen werknemer en werkgever. Verder onderzoek moet dat uitwijzen, maar ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat daarin een van de verklaringen schuilt voor het feit dat de Nederlandse en de Duitse economie het beter doen dan de Italiaanse en de Spaanse.

Veel vragen

Deze cijfers, ondanks het feit dat ze de voorbije jaren lichtjes verbeterd zijn, roepen vele vragen op. Nog belangrijker is: wat doen we aan de nefaste gevolgen? Die zijn immers niet te ontkennen. Werknemers en werkgevers zoeken naar minder belaste voordelen in plaats van brutoloonsverhogingen. Disproportioneel hoge werkgeversbijdragen helpen zeker en vast niet om de werkgelegenheidsgraad in ons land (die al niet hoog is) op te trekken via jobcreatie. De hoge loonwig - het verschil tussen wat een uur arbeid kost aan de werkgever en wat de werknemer er netto aan overhoudt - maakt dat de verhoging van het minimumloon zoals in het laatste Interprofessioneel Akkoord (IPA) niet loont, omdat het grootste deel van de brutoloonsverhoging afgeroomd wordt door de overheid. En ten slotte vragen vele burgers en ondernemers zich af: hoge belastingvoeten, tot daaraan toe, maar krijgen we daar een efficiënte overheid voor terug?

Ik hoor weinig of geen ideeën om de taart te bakken en te vergroten.

Wat dat laatste betreft, kan je - in de wetenschap dat de overheidsuitgaven volgens verschillende studies niet in verhouding staan met de geleverde dienstverlening - twee dingen doen: ofwel dring je de uitgaven terug tot de kwaliteit van de bestaande dienstverlening, ofwel verhoog je de kwaliteit tot het huidige niveau van uitgaven. In een enquête die het VBO vorige zomer door iVOX liet afnemen, vond bijna de helft van de werknemers (49%) dat de output mocht stijgen (een vijfde was neutraal, terwijl 32% vond dat de uitgaven mochten worden teruggedrongen), terwijl meer dan de helft van de werkgevers (53%) vond dat de focus moest liggen op het terugdringen van de overtollige uitgaven. Voor beide keuzes valt iets te zeggen, maar het is vooral essentieel dat men kiest.

Veel beloftes

In verkiezingstijden worden veel beloftes gedaan. De pensioenen verhogen, de zorgsector meer middelen geven, meer middelen voor onderwijs of fietspaden. Met andere woorden: er zijn veel voorstellen om de taart te verdelen, zelfs al bestaat die taart nog niet. Ik hoor weinig of geen ideeën om de taart te bakken en te vergroten. Het verleden heeft nochtans meermaals uitgewezen dat iets verdelen dan men nog niet heeft, altijd uitdraait op meer schulden of hogere belastingen, of beide.

Die historiek in het achterhoofd en de cijfers van de OESO in de hand, lijkt het mij eerder aangewezen om verder in te zetten op de versterking van het economisch draagvlak: sterkere ondernemingen zorgen voor meer jobs, meer mensen aan de slag betekent meer koopkracht en dus meer middelen om vervolgens de sociale zekerheid te versterken en andere maatschappelijke behoeften aan te pakken. Wat ons land dus nodig heeft, is een globaal plan voor de komende vijf jaar, waarbij de taart eerst gebakken en daarna verdeeld wordt, en niet omgekeerd. It's still the economy, stupid!