Het is hommeles in Duitsland. IG Metall, de machtige metaalvakbond, eist er 8 procent loonsverhoging. IG Metall geldt als een barometer voor de hele Duitse industrie, die in koor protesteert vanwege de dreigende recessie en de torenhoge energiekosten. Het is vooralsnog afwachten of het conflict escaleert. Over naar België, waar de vakbonden protesteren omdat de loonnormwet geen loonsverhogingen toestaat boven de indexeringen, die voor 2022-2024 al fors boven 20 procent gaan. De automatische loonindexering doet onze concurrentiekracht ontsporen. Daarenboven verlegt ze de druk van de politiek naar het bedrijfsleven. In vergelijking met België financieren onze buurlanden een veelvoud aan koopkrachtmaatregelen met belastingen of schulden. Onze lamentabele begroting zou helemaal imploderen, mocht de overheid ook hier als koopkrachtbuffer optreden.

Ontwar de loonknoop.

Twintig jaar loonmatiging en concurrentieherstel verdampen voor onze ogen. Als de loonnormwet blijft, volgen nog lange jaren van inhalen met nul loonmarge boven de indexering. De bodem van de geïndexeerde minimumlonen botst tegen het plafond van het maximumloon en verplettert elk loonoverleg. Ik begrijp de frustratie van de vakbonden. Tegelijkertijd is het onverantwoord en asociaal loonsverhogingen te eisen die de ruggengraat van ons economische en industriële weefsel kraken. Kunnen we die impasse doorbreken?

In loonlasten boven op het nettoloon blijft België absolute wereldtop. Als onderdeel van een fiscale hervorming kunnen de lasten of belastingen op arbeid omlaag, bij voorkeur lineair en met eliminatie van koterijen aan loonvoordelen met speciale (para)fiscale behandeling, cheques en salariswagens voorop. Allemaal complexiteit met veel overhead en neveneffecten, die koopkrachtmarge opvreet.

België is ook internationale top in het minimumloon. We kennen geen segment van lage lonen, tenzij opnieuw met speciale statuten of subsidies, zoals de dienstencheques en de flexi-jobs. Vereenvoudig, verlaag de opstap naar werk met een tijdelijk lager minimumloon voor instromers, koppel daaraan ondersteuning voor opleidingen en doorstromingen, zorg ervoor dat de uitkeringen daarin opgaan en activeer, en ziedaar: je hebt een brede springplank die werkkansen maximaliseert voor starters met minder opleiding of lage productiviteit. Een loopbaan is de beste garantie op koopkracht.

België heeft enorme verschillen in productiviteit en arbeidsmarktrealiteit, tussen de regio's, tussen sectoren en tussen bedrijven. Die worden dichtgesmeerd door een carcan van collectief loonoverleg, te beginnen bij de loonnorm. Er is te weinig loonspanning tussen Vlaanderen en Wallonië, tussen hoogproductieve en laagproductieve arbeid. In Wallonië zijn de Belgische minimumlonen vaak te hoog voor het aantrekken van investeringen en relance. In Vlaanderen zijn ze soms te laag voor de talentenschaarste en de productiviteit.

Omgekeerd is er te veel loonspanning tussen ouderen en jongeren, omdat meer anciënniteit hier hoe dan ook meer loon geeft. De participatie in de resultaten, zijnde de aanpassing van lonen aan winst of verlies, is dan weer onderontwikkeld. Winstparticipatie kan, maar is complex en beperkt. Lonen tijdelijk verlagen in geval van bedrijfsnood botst met gestandaardiseerde minimumlonen.

Het is dus wel degelijk mogelijk meer koopkracht met concurrentiekracht te verbinden, op voorwaarde dat we de hele loonknoop ontwarren. Per saldo betekent dat zowel meer loonvariatie naar boven of naar beneden, meer bottom-up loonflexibiliteit, boven op of beneden de index. Zolang we zweren bij een gelijke top-down collectieve loonontwikkeling voor iedereen, zitten we muurvast. Is het sociaal overleg in staat zichzelf uit de loonknoop te bevrijden? Helaas lijkt die vraag retorisch.

Het is hommeles in Duitsland. IG Metall, de machtige metaalvakbond, eist er 8 procent loonsverhoging. IG Metall geldt als een barometer voor de hele Duitse industrie, die in koor protesteert vanwege de dreigende recessie en de torenhoge energiekosten. Het is vooralsnog afwachten of het conflict escaleert. Over naar België, waar de vakbonden protesteren omdat de loonnormwet geen loonsverhogingen toestaat boven de indexeringen, die voor 2022-2024 al fors boven 20 procent gaan. De automatische loonindexering doet onze concurrentiekracht ontsporen. Daarenboven verlegt ze de druk van de politiek naar het bedrijfsleven. In vergelijking met België financieren onze buurlanden een veelvoud aan koopkrachtmaatregelen met belastingen of schulden. Onze lamentabele begroting zou helemaal imploderen, mocht de overheid ook hier als koopkrachtbuffer optreden. Twintig jaar loonmatiging en concurrentieherstel verdampen voor onze ogen. Als de loonnormwet blijft, volgen nog lange jaren van inhalen met nul loonmarge boven de indexering. De bodem van de geïndexeerde minimumlonen botst tegen het plafond van het maximumloon en verplettert elk loonoverleg. Ik begrijp de frustratie van de vakbonden. Tegelijkertijd is het onverantwoord en asociaal loonsverhogingen te eisen die de ruggengraat van ons economische en industriële weefsel kraken. Kunnen we die impasse doorbreken? In loonlasten boven op het nettoloon blijft België absolute wereldtop. Als onderdeel van een fiscale hervorming kunnen de lasten of belastingen op arbeid omlaag, bij voorkeur lineair en met eliminatie van koterijen aan loonvoordelen met speciale (para)fiscale behandeling, cheques en salariswagens voorop. Allemaal complexiteit met veel overhead en neveneffecten, die koopkrachtmarge opvreet. België is ook internationale top in het minimumloon. We kennen geen segment van lage lonen, tenzij opnieuw met speciale statuten of subsidies, zoals de dienstencheques en de flexi-jobs. Vereenvoudig, verlaag de opstap naar werk met een tijdelijk lager minimumloon voor instromers, koppel daaraan ondersteuning voor opleidingen en doorstromingen, zorg ervoor dat de uitkeringen daarin opgaan en activeer, en ziedaar: je hebt een brede springplank die werkkansen maximaliseert voor starters met minder opleiding of lage productiviteit. Een loopbaan is de beste garantie op koopkracht. België heeft enorme verschillen in productiviteit en arbeidsmarktrealiteit, tussen de regio's, tussen sectoren en tussen bedrijven. Die worden dichtgesmeerd door een carcan van collectief loonoverleg, te beginnen bij de loonnorm. Er is te weinig loonspanning tussen Vlaanderen en Wallonië, tussen hoogproductieve en laagproductieve arbeid. In Wallonië zijn de Belgische minimumlonen vaak te hoog voor het aantrekken van investeringen en relance. In Vlaanderen zijn ze soms te laag voor de talentenschaarste en de productiviteit. Omgekeerd is er te veel loonspanning tussen ouderen en jongeren, omdat meer anciënniteit hier hoe dan ook meer loon geeft. De participatie in de resultaten, zijnde de aanpassing van lonen aan winst of verlies, is dan weer onderontwikkeld. Winstparticipatie kan, maar is complex en beperkt. Lonen tijdelijk verlagen in geval van bedrijfsnood botst met gestandaardiseerde minimumlonen. Het is dus wel degelijk mogelijk meer koopkracht met concurrentiekracht te verbinden, op voorwaarde dat we de hele loonknoop ontwarren. Per saldo betekent dat zowel meer loonvariatie naar boven of naar beneden, meer bottom-up loonflexibiliteit, boven op of beneden de index. Zolang we zweren bij een gelijke top-down collectieve loonontwikkeling voor iedereen, zitten we muurvast. Is het sociaal overleg in staat zichzelf uit de loonknoop te bevrijden? Helaas lijkt die vraag retorisch.