De verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd is een sleutelbeslissing in het pensioenbeleid van de regering. Daarnaast heeft ze enkele noodzakelijke punctuele aanpassingen aan de pensioenregels doorgevoerd en bestaat de vage intentie om het wettelijke omslagstelsel te vervangen door een puntenstelsel. Dat laatste wordt met de dag wel onwaarschijnlijker.
...

De verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd is een sleutelbeslissing in het pensioenbeleid van de regering. Daarnaast heeft ze enkele noodzakelijke punctuele aanpassingen aan de pensioenregels doorgevoerd en bestaat de vage intentie om het wettelijke omslagstelsel te vervangen door een puntenstelsel. Dat laatste wordt met de dag wel onwaarschijnlijker.De verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd springt er ver uit als een ingreep met mogelijk belangrijke macro-economische repercussies. De Studiecommissie voor de vergrijzing schat dat er daardoor 300.000 mensen bij komen op de arbeidsmarkt en dat zo de stijging van de vergrijzingskosten tegen 2060 ongeveer wordt gehalveerd. Vanzelfsprekend leidt dat tot de verwachting dat in 2030 wordt aangekondigd dat de wettelijke pensioenleeftijd met nog een jaar wordt verhoogd in 2040 en nogmaals in 2050. De verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd geeft de regering het perfecte alibi om verder weinig of niets te doen aan het pensioendossier. De verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd wordt al decennia bepleit als een belangrijke maatregel om de pensioenen betaalbaar te houden. De argumentatie is dat mensen zo minder lang een pensioen krijgen, maar verder steunt de maatregel niet op een rigoureuze economische analyse. Het is een schoolvoorbeeld van kuddedenken. Waarom wordt er niet op gewezen dat het aanbod op de arbeidsmarkt zal toenemen, vergelijkbaar met de instroom van migranten? Zonder aangepast beleid moet dat op termijn de lonen relatief verminderen of resulteren in een hogere werkloosheid.Natuurlijk is er de nuance dat jongeren in eerste instantie moeilijker aan de bak zullen komen en zullen proberen een inkomen te verwerven. Dat de maatregel dus een expansief effect op de werkgelegenheid zal hebben, valt niet te ontkennen, maar zal dat de werkgelegenheid met bijna 5 procent verhogen, zoals de Studiecommissie voor de vergrijzing beweert? In Nederland wordt gedacht dat het effect 1 procent bedraagt. Dat is een wereld van verschil en van doorslaggevend belang om het pensioenbeleid van deze regering te beoordelen.We hebben in het verleden al grote vraagtekens geplaatst bij dat resultaat en gewaarschuwd voor de voorbarige conclusie dat de toename van de vergrijzingskosten nu beheersbaar is. In The 2018 Ageing Report, het pas verschenen vergrijzingsrapport van de Europese Commissie, worden de vergrijzingskosten tot 2070 voorspeld. Interessant voor ons is dat het vorige rapport dateert van 2015 en statistisch materiaal tot 2013 bevat, en zo geen rekening houdt met de beslissing van de Belgische regering om de wettelijke pensioenleeftijd te verhogen. Als die maatregel inderdaad resulteert in een halvering van de toename van de vergrijzingskosten, zoals onze Studiecommissie voorhoudt, dan moet dat ook blijken uit de cijfers van Europa.Doordat definities van variabelen verschillen, zijn de niveaus van de vergrijzingskosten niet vergelijkbaar. Wel kunnen we nagaan of de stijging van de vergrijzingskosten in 2060 in de laatste voorspelling drastisch lager ligt dan in de voorspelling van 2015.Dat blijkt hoegenaamd niet het geval te zijn. In 2015 bedroeg de voorspelde stijging 5,2 procent van het bruto binnenlands product tegen 2060. In het recente rapport is dat 4,6 procent. Weliswaar een daling, maar niet van die orde dat je kunt stellen dat de stijging van de vergrijzingskosten sterk wordt beperkt. Trouwens, nergens in het rapport van de Europese Commissie is er een ruime discussie over de gevolgen van de wettelijke pensioenleeftijd op de vergrijzingskosten. Dat steekt schril af tegen het belang dat in ons land aan die maatregel wordt gehecht. Blijkbaar wordt hier niet ingezien dat niet de wettelijke maar de effectieve pensioenleeftijd belangrijk is. De conclusie is duidelijk: de Studiecommissie voor de vergrijzing heeft werk om uit te leggen waarom haar inschatting van de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd resulteert in een drastische toename van de werkgelegenheid en zo de financieringsproblemen van de pensioenen in grote mate beperkt.