De ongeëvenaarde achttiende-eeuwse historicus Edward Gibbon omschreef de geschiedenis als 'weinig meer dan het register van misdaden, dwaasheden en tegenslagen van de mensheid'. Elke hedendaagse twist met restanten van de geschiedenis is een selectieve poging om die geschiedenis voor politieke doeleinden te recupereren. Dat geldt ook voor de oplaaiende discussie over standbeelden en straatnamen. Moet Italië de overgebleven Romeinse standbeelden verwijderen omdat het Romeinse rijk in slavenbloed en -zweet was gedrenkt? Moet Frankrijk de bustes van Napoleon liquideren omdat die moorddadige oorlogsstoker heel Europa heeft veroverd en beroofd? Moet Groot-Brittannië zijn trotse victoriaanse figuren afvoeren omdat het Britse rijk met kolonialisme en slavenhandel is besmeurd?

Symbolen tellen. Historische standbeelden zijn symbolen uit het verleden. Maar welke symboliek ze vertolken in onze tijd, hangt af van onze relatie met het beeld. Willen we standbeelden erkennen als loutere snapshots van een vervlogen tijd, dan wel gebruiken als projectiemateriaal voor een hedendaagse cultuuroorlog? Is een beeld van Leopold II het residu van een troebele periode uit onze nationale geschiedenis, of een ondraaglijke affiche tegen Black Lives Matter? De keuze ligt bij de waarnemer.

Het zijn dus niet de standbeelden of de straatnamen die tellen, maar de politieke agenda achter hun contestatie. Moderne beeldenstormers willen sommige stenen restanten van ons verleden recycleren voor een hedendaagse politieke catharsis. Ik ben principieel tegen elke poging van de huidige generaties om onze geschiedenis te wissen of te zuiveren voor de volgende generaties. We moeten de fouten uit ons verleden leren, blootleggen en onthouden. Maar het getuigt van tijdloze pretentie om onze politieke waarden als superieur op te dringen aan het verleden en de toekomst.

Laat de standbeelden staan.

We kunnen stenen overblijfselen gebruiken voor lering en reflectie, met uitleg, context, complementaire beelden en dies meer. Maar de agenda voor wegnemen en uitzuiveren, is gebaseerd op de politieke premisse dat het versteende verleden doorwerkt in het heden. We leven dan in een land met diepgeworteld 'structureel racisme', 'wit privilege' en 'institutionele discriminatie', waarvan standbeelden of straatnamen de schrijnende manifestatie zijn.

Natuurlijk heeft onze samenleving een gigantisch intergenerationeel probleem met de participatie en vooruitgang van bepaalde groepen met immigratieachtergrond. Die groepen zijn onze Afro-Amerikanen, zonder de slavernij, de apartheid en het politiegeweld. Ik bepleit al sinds jaar en dag dat integratie en sociale mobiliteit steunen op een positieve cyclus van gecontroleerde immigratie, proactieve integratie, gerichte publieke dienstverlening, beter onderwijs, toegankelijke arbeidsmarkt, interculturele dynamiek, religieuze emancipatie, robuust antidiscriminatiebeleid en persoonlijke verantwoordelijkheid.

Racisme is maar een deel van een complexe integratiepuzzel. De thesis van structureel racisme gaat voorbij aan andere integratiefactoren. Ze relateert elke individuele ongelijkheid met groepsongelijkheid en reduceert groepsongelijkheid tot racisme. Die identificatie van het individu met zijn raciale groep is zelf intrinsiek racistisch. Het pendant van 'wit privilege' projecteert dat racisme op alle leden van de andere groep. Die zijn dan allemaal medeschuldig, zoals alle niet-witten medeslachtoffers zijn. Wie de geschiedenis van de Jodenvervolging kent, voelt meteen de nekharen rijzen.

Wie zweert bij structureel racisme ziet overal bewijzen van institutioneel onrecht, ook in negentiende-eeuwse standbeelden. De enige remedie is dan georganiseerde eliminatie, als symbolische opstap naar de contestatie van het hele 'systeem'. Dat is politiek-cultureel extremisme. Als we die weg inslaan, dreigen we vooral de fouten van het verleden te herhalen. Laat we de handen in elkaar slaan en ambitieus mobiliseren voor meer kansengelijkheid. Daarvoor kunnen de standbeelden rustig blijven staan.

De ongeëvenaarde achttiende-eeuwse historicus Edward Gibbon omschreef de geschiedenis als 'weinig meer dan het register van misdaden, dwaasheden en tegenslagen van de mensheid'. Elke hedendaagse twist met restanten van de geschiedenis is een selectieve poging om die geschiedenis voor politieke doeleinden te recupereren. Dat geldt ook voor de oplaaiende discussie over standbeelden en straatnamen. Moet Italië de overgebleven Romeinse standbeelden verwijderen omdat het Romeinse rijk in slavenbloed en -zweet was gedrenkt? Moet Frankrijk de bustes van Napoleon liquideren omdat die moorddadige oorlogsstoker heel Europa heeft veroverd en beroofd? Moet Groot-Brittannië zijn trotse victoriaanse figuren afvoeren omdat het Britse rijk met kolonialisme en slavenhandel is besmeurd? Symbolen tellen. Historische standbeelden zijn symbolen uit het verleden. Maar welke symboliek ze vertolken in onze tijd, hangt af van onze relatie met het beeld. Willen we standbeelden erkennen als loutere snapshots van een vervlogen tijd, dan wel gebruiken als projectiemateriaal voor een hedendaagse cultuuroorlog? Is een beeld van Leopold II het residu van een troebele periode uit onze nationale geschiedenis, of een ondraaglijke affiche tegen Black Lives Matter? De keuze ligt bij de waarnemer.Het zijn dus niet de standbeelden of de straatnamen die tellen, maar de politieke agenda achter hun contestatie. Moderne beeldenstormers willen sommige stenen restanten van ons verleden recycleren voor een hedendaagse politieke catharsis. Ik ben principieel tegen elke poging van de huidige generaties om onze geschiedenis te wissen of te zuiveren voor de volgende generaties. We moeten de fouten uit ons verleden leren, blootleggen en onthouden. Maar het getuigt van tijdloze pretentie om onze politieke waarden als superieur op te dringen aan het verleden en de toekomst. We kunnen stenen overblijfselen gebruiken voor lering en reflectie, met uitleg, context, complementaire beelden en dies meer. Maar de agenda voor wegnemen en uitzuiveren, is gebaseerd op de politieke premisse dat het versteende verleden doorwerkt in het heden. We leven dan in een land met diepgeworteld 'structureel racisme', 'wit privilege' en 'institutionele discriminatie', waarvan standbeelden of straatnamen de schrijnende manifestatie zijn.Natuurlijk heeft onze samenleving een gigantisch intergenerationeel probleem met de participatie en vooruitgang van bepaalde groepen met immigratieachtergrond. Die groepen zijn onze Afro-Amerikanen, zonder de slavernij, de apartheid en het politiegeweld. Ik bepleit al sinds jaar en dag dat integratie en sociale mobiliteit steunen op een positieve cyclus van gecontroleerde immigratie, proactieve integratie, gerichte publieke dienstverlening, beter onderwijs, toegankelijke arbeidsmarkt, interculturele dynamiek, religieuze emancipatie, robuust antidiscriminatiebeleid en persoonlijke verantwoordelijkheid.Racisme is maar een deel van een complexe integratiepuzzel. De thesis van structureel racisme gaat voorbij aan andere integratiefactoren. Ze relateert elke individuele ongelijkheid met groepsongelijkheid en reduceert groepsongelijkheid tot racisme. Die identificatie van het individu met zijn raciale groep is zelf intrinsiek racistisch. Het pendant van 'wit privilege' projecteert dat racisme op alle leden van de andere groep. Die zijn dan allemaal medeschuldig, zoals alle niet-witten medeslachtoffers zijn. Wie de geschiedenis van de Jodenvervolging kent, voelt meteen de nekharen rijzen.Wie zweert bij structureel racisme ziet overal bewijzen van institutioneel onrecht, ook in negentiende-eeuwse standbeelden. De enige remedie is dan georganiseerde eliminatie, als symbolische opstap naar de contestatie van het hele 'systeem'. Dat is politiek-cultureel extremisme. Als we die weg inslaan, dreigen we vooral de fouten van het verleden te herhalen. Laat we de handen in elkaar slaan en ambitieus mobiliseren voor meer kansengelijkheid. Daarvoor kunnen de standbeelden rustig blijven staan.