Problemen maken je soms sterker. De hoge lonen maken het de Belgische bedrijven moeilijk om competitief te blijven, en juist daarom investeren ze meer in onderzoek en ontwikkeling. Zo blijven ze overeind in de strijd. De openheid van de Belgische economie en de sterk gereguleerde arbeidsmarkt laten hen weinig andere opties: het is innoveren om te overleven. Dat is een opmerkelijke conclusie van een studie van Freddy Heylen, hoogleraar macro-economie aan de Universiteit Gent. Hij werkte samen met twee andere economen, Ruben Schoonackers van de Nationale Bank van België, en Tim Buyse, gastprofessor aan de UGent.

Het drietal was eropuit het effect van de lonen op de onderzoeksinspanningen van bedrijven te bestuderen. In studies over innovatie kreeg het looneffect tot nu weinig aandacht, allicht omdat er onder economen veel discussie over is. Volgens de ene groep is het effect van hoge lonen op onderzoek en ontwikkeling negatief. Want waarom zouden bedrijven investeren in innovatie, als de opbrengst grotendeels wegvloeit naar hoge lonen? Volgens de andere groep is het effect positief: bij hoge lonen is innovatie een overlevingsstrategie. In die situatie lijken de Belgische bedrijven zich te bevinden.

Positief en negatief effect

Wie heeft gelijk? Allebei, zo blijkt na de studie. De drie economen hielden de investeringen in onderzoek en ontwikkeling van bedrijven in veertien OESO-landen - waaronder België - van 1981 tot 2012 tegen het licht. Daaruit blijkt dat een hoge loondruk leidt tot lagere onderzoeksinvesteringen per hoofd van de bevolking, na correctie voor inflatie. Volgens de studie is er loondruk als de reële lonen in een land sneller stijgen dan de technologische evolutie toelaat. Een toename van die loonkloof met 1 procentpunt doet de onderzoeksinvesteringen met 1,11 procent dalen. Dat lijkt de eerste groep economen gelijk te geven.

Maar de andere groep heeft ook een punt, althans voor zeer open economieën die sterk onder druk van buitenlandse concurrenten staan. Daar slaat het negatieve effect van de toenemende loondruk om in een positief effect. Een land bereikt dat omslagpunt als de som van de export en de import van goederen en diensten 80 procent van het bruto binnenlands product bedraagt. "België zat in 2012 aan 170 procent", zegt Heylen. "Combineer dat met hoge lonen, en dan moet je als bedrijf wel innoveren, of je gaat eraan."

Een flexibele arbeidsmarkt kan de druk verzachten om te innoveren. "In dat geval kun je duurdere arbeid gemakkelijker vervangen door machines", zegt Schoonackers. "Dan hoef je niet meer zo nodig te innoveren. België zit echter in het tegengestelde geval. De rigide arbeidsmarkt maakt de behoefte aan innovatie alleen maar groter."

Oversijpelingseffecten

Als innovatie moet, dan is loonmatiging niet altijd een goed idee, luidt de ietwat ongebruikelijke conclusie. Niet dat de drie economen pleiten voor een stijging van de lonen. Dat zou te veel wegen op de concurrentiekracht en de werkgelegenheid. Maar het omgekeerde, een overdreven loonmatiging, ontmoedigt innovatie in een land als België, met grote nadelen op termijn.

Loonmatiging kan het effect van overheidsbeleid zelfs tenietdoen. Fiscale aftrekmogelijkheden en subsidies blijken bedrijven te stimuleren om te investeren in onderzoek en ontwikkeling. Hetzelfde geldt voor onderzoeksuitgaven door het hoger onderwijs en andere overheidsinstellingen, via oversijpelingseffecten. Maar dat alles hielp de zaken niet vooruit in België, en zeker niet in Nederland. Het innovatie ontmoedigende effect van de loonmatiging van de jongste decennia neutraliseerde de inspanningen.

Niettemin speelt de overheid een cruciale rol, maar dan via het hoger onderwijs. In de veertien onderzochte landen springt de scholingsgraad eruit als de belangrijkste determinant van de onderzoeksinvesteringen door de bedrijven. "Hoe hoger de scholingsgraad, hoe groter het aanbod aan onderzoekers - de belangrijkste productiefactor voor onderzoek en ontwikkeling", zegt Schoonackers. "Meer onderzoekers betekent meer innovatie. De grote beschikbaarheid aan onderzoekers drukt bovendien de kosten van onderzoek. Dat verhoogt het rendement, en meteen ook de aantrekkelijkheid van onderzoek."

De cijfers zijn sprekend. In de Verenigde Staten tekent de aangroei van menselijk kapitaal voor maar liefst drie kwart van de stijging van de onderzoeksinvesteringen door de bedrijven tussen 1981 en 2012. Voor België, Nederland, Frankrijk, Italië en Oostenrijk samen bedraagt de bijdrage bijna 70 procent, voor de Scandinavische landen 40 procent.

Absorptievermogen

De determinanten uit de studie verklaren een groot deel van de stijging van de onderzoeksinvesteringen, maar niet helemaal. Vooral in Denemarken, Finland en Zweden is er een restant, bepaald door een andere factor: de vlottere absorptie van het wereldwijde niveau aan kennis en technologie. Een vierde van de toename van de onderzoeksinvesteringen door de bedrijven in Scandinavië tussen 1981 en 2012 is toe te schrijven aan dat absorptievermogen.

In landen als België, Nederland en Frankrijk liet dat absorptievermogen zich amper zien. Wat heeft Scandinavië voor op de andere landen? "Beter onderwijs", zegt Schoonackers. "Daardoor kunnen bedrijven in Scandinavië gemakkelijker wereldtechnologie binnenhalen en integreren. Ook de relatief lagere vennootschapsbelasting in de Scandinavische landen speelt een rol. Dat trekt buitenlandse investeringen aan en zorgt op zijn beurt voor technologieoverdracht. Gebruiken wat de wereld biedt, daar zijn de Scandinaviërs sterk in."

Problemen maken je soms sterker. De hoge lonen maken het de Belgische bedrijven moeilijk om competitief te blijven, en juist daarom investeren ze meer in onderzoek en ontwikkeling. Zo blijven ze overeind in de strijd. De openheid van de Belgische economie en de sterk gereguleerde arbeidsmarkt laten hen weinig andere opties: het is innoveren om te overleven. Dat is een opmerkelijke conclusie van een studie van Freddy Heylen, hoogleraar macro-economie aan de Universiteit Gent. Hij werkte samen met twee andere economen, Ruben Schoonackers van de Nationale Bank van België, en Tim Buyse, gastprofessor aan de UGent. Het drietal was eropuit het effect van de lonen op de onderzoeksinspanningen van bedrijven te bestuderen. In studies over innovatie kreeg het looneffect tot nu weinig aandacht, allicht omdat er onder economen veel discussie over is. Volgens de ene groep is het effect van hoge lonen op onderzoek en ontwikkeling negatief. Want waarom zouden bedrijven investeren in innovatie, als de opbrengst grotendeels wegvloeit naar hoge lonen? Volgens de andere groep is het effect positief: bij hoge lonen is innovatie een overlevingsstrategie. In die situatie lijken de Belgische bedrijven zich te bevinden. Wie heeft gelijk? Allebei, zo blijkt na de studie. De drie economen hielden de investeringen in onderzoek en ontwikkeling van bedrijven in veertien OESO-landen - waaronder België - van 1981 tot 2012 tegen het licht. Daaruit blijkt dat een hoge loondruk leidt tot lagere onderzoeksinvesteringen per hoofd van de bevolking, na correctie voor inflatie. Volgens de studie is er loondruk als de reële lonen in een land sneller stijgen dan de technologische evolutie toelaat. Een toename van die loonkloof met 1 procentpunt doet de onderzoeksinvesteringen met 1,11 procent dalen. Dat lijkt de eerste groep economen gelijk te geven. Maar de andere groep heeft ook een punt, althans voor zeer open economieën die sterk onder druk van buitenlandse concurrenten staan. Daar slaat het negatieve effect van de toenemende loondruk om in een positief effect. Een land bereikt dat omslagpunt als de som van de export en de import van goederen en diensten 80 procent van het bruto binnenlands product bedraagt. "België zat in 2012 aan 170 procent", zegt Heylen. "Combineer dat met hoge lonen, en dan moet je als bedrijf wel innoveren, of je gaat eraan." Een flexibele arbeidsmarkt kan de druk verzachten om te innoveren. "In dat geval kun je duurdere arbeid gemakkelijker vervangen door machines", zegt Schoonackers. "Dan hoef je niet meer zo nodig te innoveren. België zit echter in het tegengestelde geval. De rigide arbeidsmarkt maakt de behoefte aan innovatie alleen maar groter." Als innovatie moet, dan is loonmatiging niet altijd een goed idee, luidt de ietwat ongebruikelijke conclusie. Niet dat de drie economen pleiten voor een stijging van de lonen. Dat zou te veel wegen op de concurrentiekracht en de werkgelegenheid. Maar het omgekeerde, een overdreven loonmatiging, ontmoedigt innovatie in een land als België, met grote nadelen op termijn. Loonmatiging kan het effect van overheidsbeleid zelfs tenietdoen. Fiscale aftrekmogelijkheden en subsidies blijken bedrijven te stimuleren om te investeren in onderzoek en ontwikkeling. Hetzelfde geldt voor onderzoeksuitgaven door het hoger onderwijs en andere overheidsinstellingen, via oversijpelingseffecten. Maar dat alles hielp de zaken niet vooruit in België, en zeker niet in Nederland. Het innovatie ontmoedigende effect van de loonmatiging van de jongste decennia neutraliseerde de inspanningen. Niettemin speelt de overheid een cruciale rol, maar dan via het hoger onderwijs. In de veertien onderzochte landen springt de scholingsgraad eruit als de belangrijkste determinant van de onderzoeksinvesteringen door de bedrijven. "Hoe hoger de scholingsgraad, hoe groter het aanbod aan onderzoekers - de belangrijkste productiefactor voor onderzoek en ontwikkeling", zegt Schoonackers. "Meer onderzoekers betekent meer innovatie. De grote beschikbaarheid aan onderzoekers drukt bovendien de kosten van onderzoek. Dat verhoogt het rendement, en meteen ook de aantrekkelijkheid van onderzoek." De cijfers zijn sprekend. In de Verenigde Staten tekent de aangroei van menselijk kapitaal voor maar liefst drie kwart van de stijging van de onderzoeksinvesteringen door de bedrijven tussen 1981 en 2012. Voor België, Nederland, Frankrijk, Italië en Oostenrijk samen bedraagt de bijdrage bijna 70 procent, voor de Scandinavische landen 40 procent. De determinanten uit de studie verklaren een groot deel van de stijging van de onderzoeksinvesteringen, maar niet helemaal. Vooral in Denemarken, Finland en Zweden is er een restant, bepaald door een andere factor: de vlottere absorptie van het wereldwijde niveau aan kennis en technologie. Een vierde van de toename van de onderzoeksinvesteringen door de bedrijven in Scandinavië tussen 1981 en 2012 is toe te schrijven aan dat absorptievermogen. In landen als België, Nederland en Frankrijk liet dat absorptievermogen zich amper zien. Wat heeft Scandinavië voor op de andere landen? "Beter onderwijs", zegt Schoonackers. "Daardoor kunnen bedrijven in Scandinavië gemakkelijker wereldtechnologie binnenhalen en integreren. Ook de relatief lagere vennootschapsbelasting in de Scandinavische landen speelt een rol. Dat trekt buitenlandse investeringen aan en zorgt op zijn beurt voor technologieoverdracht. Gebruiken wat de wereld biedt, daar zijn de Scandinaviërs sterk in."