Vlaanderen houdt een Klimaat- en Energietop. Milieu-econoom Ben Groom (LSE) legt uit welke moeilijke afweging overheden moeten maken wanneer ze investeringen afwegen om de klimaatverandering tegen te gaan. "Veel mensen vinden het milieu van onschatbare waarde. Maar er geen waarde op plakken, is nog erger, vrees ik"
...

Vlaanderen houdt een Klimaat- en Energietop. Milieu-econoom Ben Groom (LSE) legt uit welke moeilijke afweging overheden moeten maken wanneer ze investeringen afwegen om de klimaatverandering tegen te gaan. "Veel mensen vinden het milieu van onschatbare waarde. Maar er geen waarde op plakken, is nog erger, vrees ik"Elk jaar opnieuw vliegen de fitnessabonnementen in januari over de toonbank: allemaal mensen met het voornemen te gaan sporten, vanaf volgende week. Maar, de week daarop beslissen ze nog een weekje later te starten. "Wanneer we de afweging maken tussen deze of volgende week, winnen de voordelen van volgende week makkelijk", lacht Ben Groom. "Voor veel rookverslaafden geldt hetzelfde: morgen stoppen ze. Dat is menselijk. Maar stel je eens voor dat de overheid zich zo zou gedragen." In zijn ietwat oudmodisch bureau op het departement geografie en milieu van de London School of Economics - meubilair uit de jaren zeventig, oude landkaarten aan de gangmuren - buigt Groom zich over de wisselwerking tussen de huidige tijd en de toekomst. De Britse professor helpt mee nieuw leven te blazen in het versteende concept van de discontovoet. Dat onderzoek levert hem een leerstoel op aan de Antwerpse Universiteit. Verdisconteren is een academisch concept, maar tegelijk het mechanisme achter elke economische beslissing. Een typisch bedrijf gebruikt het om mogelijke investeringsprojecten met elkaar te vergelijken. "Een bedrijf berekent voor elke mogelijke investering de opbrengsten in de toekomst en de kosten daarvoor in het heden. De discontovoet die het daarbij hanteert, is doorgaans de rentevoet, of de prijs van het kapitaal. Dat is vrij helder, want het gaat meestal om geldbedragen en een duidelijk doel: zoveel mogelijk winst." De oefening wordt een pak complexer als je een overheid bent. Het doel is dan niet winst, maar eerder zoveel mogelijk welvaart of welzijn. "Dat zijn begrippen die meestal niet in cash worden uitgedrukt. En toch moet je net zo goed de afwegingen maken tussen de kostprijs van bepaalde investeringen en de toekomstige inkomsten. Je moet toch weten of het zinniger is project A of project B te doen." Groom: "Daar zijn twee redenen voor. De eerste is het ongeduld van de mens. Het klassieke voorbeeld is de marshmallowtest: je zegt tegen een kind dat het nu een snoepje krijgt, maar dat het er twee krijgt als het een kwartier wacht met dat eerste snoepje op te eten. Je ziet dat kind echt verscheurd worden door de twijfel (lacht). Voor veel maatschappelijke keuzes gelden dezelfde afwegingen. Willen we nu nutsvoorzieningen of later? Daarvoor moet je dus kosten-batenanalyses maken, en zoeken naar wat de maatschappij eigenlijk wil. "De tweede reden is de welvaartsfactor. Als we ervan uitgaan dat we morgen rijker zullen zijn dan nu, dan stelt dat extra beetje welvaart in de toekomst minder voor dan wanneer we veronderstellen dat we het in de toekomst met minder zullen moeten doen. Dat klinkt vrij abstract, en dat is het eigenlijk ook (lacht)." Groom: "Dat is niet eenvoudig en sterk afhankelijk van de context. Bij afwegingen op echt lange termijn, zaken die misschien wel honderden of duizenden jaren spelen, krijg je eigenlijk ethische discussies. Denk aan de klimaatverandering, of de kwestie van nucleair afval. Hoe moet je beslissen voor generaties die nog niet geboren zijn? We weten niet wat hun voorkeur is, ze hebben ook geen stem, natuurlijk. "De vraag is of we de huidige generatie belangrijker moeten vinden dan de komende. Iedereen zou evenveel moeten worden gewaardeerd, toch? Maar het is niet duidelijk of mensen dat wel doen: je zou pakweg meer kunnen voelen voor je kinderen dan voor je kleinkinderen en zeker je achterkleinkinderen die nog niet geboren zijn. Bovendien zet iedereen gelijk behandelen over verschillende generaties heen, enorm veel stress op ons, de huidige generatie. Want het impliceert dat we heel veel opzij zouden moeten zetten voor volgende generaties, en veel moeten opgeven. Er zijn dus eigenlijk ook wel argumenten om onszelf niet zo veel pijn te doen." Groom: "Het Stern Rapport van 2006 bracht als eerste de kosten van de klimaatverandering in kaart. De boodschap was dat we snel moesten handelen. De voordelen zijn immers groot, omdat de kosten van de klimaatverandering zeer hoog oplopen. Daarop kwam kritiek, onder andere van de econoom William Nordhaus. Hij ontkende de nadelen niet, maar zei dat klimaatschade een zeer gradueel proces is, en we dus het beste konden wachten tot de schade groot genoeg is, en de kosten zo hoog oplopen dat ze grote investeringen verrechtvaardigen. "Het grote verschil tussen die twee is hun visie op de sociale discontovoet, en onderliggend de waardering van de volgende generaties. Stern hanteert een utilitair perspectief: wij mensen zijn overal evenveel waard, nu zowel als in de toekomst. Nordhaus redeneerde eerder op basis van ons werkelijke gedrag en niet op basis van een normatief idee over hoe we ons zouden moeten gedragen. Eigenlijk zei hij daarmee dat wij belangrijker zijn dan toekomstige generaties." Groom: "Moeilijke vraag. Neem bijvoorbeeld kernenergie. Een nieuwe centrale bouwen heeft hoge investeringskosten, vervolgens pluk je er vijftig jaar de vruchten van, en nadien komen de ontmantelingskosten. De eerste generatie krijgt dus de kosten en een deel van de baten, de volgende vooral de baten, en die daarna alleen maar kosten. Door te verdisconteren negeer je eigenlijk al die bewegingen, en vat je alles samen in één cijfer. Dat laat toe te vergelijken, wat heel belangrijk is. Maar je moet volgens mij ook altijd stilstaan bij de verdeling van de kosten en baten doorheen de tijd." Groom: "Er zijn natuurlijk altijd innovaties denkbaar, die de uitkomst van een kosten-batenanalyse naar de prullenmand verwijzen. Beeld je bijvoorbeeld in dat we een nieuw transportmiddel uitvinden, waardoor de huidige investeringen in mobiliteit overbodig blijken. Je kan dat gedeeltelijk opvangen, door het risico te berekenen dat de geplande inkomsten niet komen. Eigenlijk is dat ook een argument om toekomstige generaties toch iets minder belangrijk in te schatten dan de onze." Groom:(Denkt na) "Stel je voor dat er een redelijke kans bestaat dat je boiler de komende twee jaar kapot gaat. Spaar je dan meer of minder? Wellicht meer. Want je weet het niet zeker, maar er is een kans dat je een nieuwe boiler moet kopen. Dat voorzichtigheidseffect verlaagt de discontovoet, of, anders gezegd: het zet je aan om te sparen voor de toekomst. "Op een grotere schaal komt die vraag neer op: hoe voorzichtig moet de maatschappij zijn voor de toekomst, als er onzekerheid is over onze welvaart? De groei kan veel hoger zijn dan we verwachten, maar ook veel lager. Dus verlagen we de discontovoet om voorzichtigheidsredenen. Zo komen we ook tot het idee van een dalende discontovoet: het idee dat de kans op een negatieve schok toeneemt, en dus ook het voorzichtigheidseffect, als je verder in de toekomt kijkt." Groom: "Sommige complexe zaken zijn toch relatief eenvoudig in economische termen uit te drukken. Het uitsterven van de bijen is zonder twijfel een potentiële catastrofe. Maar we praten over wilde bijen. Nu, ik ben geen bijenexpert, maar het is vast mogelijk bijen te kweken. Dus als ze uitsterven kun je wellicht vrachtwagens met gekweekte bijen aanleveren. Dus is eigenlijk de vraag: wat kost het meest? De vervanging van de pesticiden die de bijen bedreigen, of de vervanging van de bijen zelf? Maar ga nu vooral niet schrijven dat ik een voorstander ben van de vervanging van de bijen (lacht). "Eigenlijk is dat het mooie van mijn vakgebied. Dertig jaar geleden hechtte bijna niemand waarde aan de biodiversiteit. Vandaag heeft de Britse overheid een uitgebreid programma om een monetaire waarde te plakken op tal van milieugoederen, gaande van volledige bossen naar specifieke soorten van fauna en flora. Dat is niet eenvoudig. Veel mensen verzetten zich tegen die waarderingen, omdat het milieu van onschatbare waarde zou zijn. Maar er geen waarde op plakken, is nog erger, vrees ik." Groom: "Die verschillen hebben vooral te maken met de benadering van kosten-batenanalyses. De Verenigde Staten zijn daarin altijd erg marktgericht: een overheidsproject moet kunnen concurreren met de privé, of liefst zelfs relevanter zijn. In Europa daarentegen gaan veel mensen ervan uit dat de markten ons niet meer de juiste signalen geven over de voorkeuren in de samenleving. De huidige nulrente wil eigenlijk zeggen dat 10 euro van vandaag over 100 jaar nog evenveel waard zal zijn. Dat is redelijk absurd. "Nu zijn ze in de Verenigde Staten een meer welvaartsgerichte benadering aan het bekijken, maar er is weinig animo voor. Net zoals de discussie die we in het Verenigd Koninkrijk in 2011 hebben gehad over het sociale welzijn, geen impact had. Want uiteindelijk impliceert elke benadering een aantal normatieve beslissingen: hoe ongeduldig zijn we? Wat is het welvaartseffect, en dus hoe snel zullen we groeien? En wélke groei willen we? Daarover zijn al ettelijke boeken vol geschreven." Groom:"Je kunt je inderdaad afvragen waarom er geen ruimer publiek debat over is. Eén mogelijkheid is dat kosten-batenanalyses totaal geen verschil maken, omdat politici er geen belang aan hechten en bij belangrijke beslissingen andere overwegingen laten spelen. Dat is een deprimerende gedachte (lacht). Ik kies ervoor dat niet te geloven. Al ben ik vrij zeker dat er een kern van waarheid in zit. "De andere optie is dat het een vrij technische materie is. Je wil je politici daar ook niet te diep op laten studeren. Want als je mensen laat discussiëren over de implicaties van de gekozen discontovoet, eindig je toch met verscheurende ethische keuzes tussen bijvoorbeeld ons en de volgende generaties."