Vorig weekend heb ik bekend dat ik niet goed weet wat wordt bedoeld met het begrip 'identiteit', een centraal thema van de aanstaande verkiezingen. Ik ben dan maar naar de bron gegaan, naar de man die het politieke debat zal proberen te domineren. Het boek Het maatschappelijk weefsel van Bart De Wever van 2009 is nu al romantisch verouderd, maar toch leren we daar over de essentie van identiteit. Het draait blijkbaar om de manier waarop mensen samenleven en elkaar helpen.

De Britse econoom John Kay noemt dat 'relationele contracten'. Een relationeel contract is een contract dat door de uitoefening ervan zichzelf versterkt. Een huwelijk is een relationeel contract van de zuiverste soort. Het huwelijk houdt stand omdat de partijen dag in dag uit door hun wederzijdse respect voor impliciete afspraken dat huwelijk bevestigen. Mijn buurman en ik hebben ook een reeks relationele contracten. Ik plant mijn prei niet in zijn tuin, zijn kinderen voetballen niet in de mijne. Veel voorbeelden van relationele contracten zijn juridisch geregeld. Mocht ik toch in de verleiding komen mijn prei te planten in zijn tuin, dan heeft hij het recht aan zijn kant. Maar de dag dat de juridische contracten worden bovengehaald, mag je veronderstellen dat de relationele contracten zwaar geschaad worden. De wet kan nooit elegant regelen wat onze gewone omgangsvormen wel kunnen.

Identiteit moet ik dus begrijpen als de aard van de relationele contracten die mensen in een maatschappij met elkaar onderhouden. Het heeft niets te maken met geïsoleerde vreemde gewoontes. Als ik ter slechter trouw ben, lach ik met de Vlaamse identiteit, omdat ik dan stel dat zangwedstrijden met blind gemaakte vinkjes of het eten van blinde vinken voor mij overduidelijk behoren tot de Vlaamse identiteit. Het gaat wel over hoe we met elkaar omgaan.

Het al dan niet dragen van een hoofddoek aan een loket heeft bitter weinig te maken met identiteit.

Maar dan draai ik het ook om. Het al dan niet dragen van een hoofddoek aan een loket heeft bitter weinig te maken met identiteit, maar wel met hoe ik aan dat loket word behandeld. Word ik er als man of vrouw gelijk behandeld? Voel ik dat dit loket functioneert binnen een rechtsstaat? Gedraag ik mij (en niet alleen de loketbediende!) als iemand die respect toont voor de lokale taal en gewoontes? De ambtenaar toont op geen enkel manier machtsmisbruik, het loket is efficiënt en eerlijk georganiseerd. Wie zich graag andere modellen van loketgedrag voorstelt, moet maar even in andere samenlevingen gaan kijken. Als door een hoofddoek de indruk zou worden gewekt dat ik vanwege mijn godsdienst door de ambtenaar sneller of slechter zou worden behandeld, dan moeten we die twijfel wegnemen. Maar dat zou dan ook gelden voor dames en heren in lichte sexy kledij, die misschien ook wel bepaalde preutse culturen kunnen benadelen. Maar het lijkt mij ook een deel van onze identiteit te zijn dat we niet te snel spijkers op laag water zoeken bij de kledij van loketambtenaren.

Kan ik nog hoger mikken voor mijn en uw persoonlijke verlichting dan een boek van Bart De Wever? Niemand minder dan Francis Fukuyama heeft er onlangs een heel boek aan gewijd. En wat leren we daar? Identiteit is blijkbaar ons 'innerlijk zelf', hoe we ons vanbinnen voelen, maar toch bijna permanent het gevoel hebben dat maatschappelijke normen en principes dat innerlijk gevoel miskennen. Het helderste voorbeeld is de onderdrukking van seksuele minderheidsgroepen. Denk vooral niet dat Fukuyama helderder is dan ik hier schrijf. Luister naar uw innerlijke stem, die zal zeggen wie u echt bent. En verfoei dan al die politici die daar niet naar luisteren. Populisten luisteren wel, denkt de kiezer. Hij stemt dan perverser en perverser, want de populist luistert natuurlijk alleen naar zichzelf, en zeker niet naar de idealen van de Verlichting. Meteen weet u nu ook naar wie u wel, en naar wie u beter niet luistert bij de op til zijnde verkiezingscampagne. Ik heb mijn plicht gedaan.