Maandag lanceerden de Verenigde Staten (VS) een nieuw salvo tegen Frankrijk in de strijd om de belastinginkomsten van Amerikaanse internetgiganten. De Amerikaanse handelsvertegenwoordiging, de US Trade Agency Representative's Office, plant een importheffing tot 100 procent op Franse producten die in deze periode van het jaar heel wat feesttafels opleuken, zoals champagne of kazen, of onder de kerstboom liggen, zoals cosmetica en handtassen. Daarmee is het tegenoffensief ingezet tegen de belasting van 3 procent op digitale diensten, die Frankrijk eerder invoerde op inkomsten uit digitale marktplaatsen en reclame via sociale media. Die was volgens de Amerikanen "onredelijk, discriminatoir en beperkend voor de Amerikaanse handel", want niet toevallig wordt de digitale economie gedomineerd door Amerikaanse bedrijven.

Dit is een zoveelste veldslag in de strijd om de fiscale koek van ondernemingen die internationaal actief zijn. Onder het mom van fiscale rechtvaardigheid worden winsten - en zelfs inkomsten - zonder schroom of wettelijke basis in het fiscale vangnet opgenomen. De internationale fiscale politiek dreigt terecht te komen in een moeras van opportunistische démarches van mensen die geacht worden gedegen wetsvoorbereidend werk te leveren, maar steeds meer in het oog van een populistische storm staan. Volgens professor emeritus Blair Sheppard (Duke University) drijft de crisis in de institutionele legitimiteit de druk op politici om het vertrouwen van de burger te herstellen, dermate op, dat ondernemingen gemakkelijker opgeofferd worden.

Pleidooi voor nuance

Maar is het terecht de pijlen enkel te richten op ondernemingen, zonder zelfs een begin van een deugdelijke oplossing te bieden voor het herkalibreren van de internationale fiscale spelregels, die bijna 100 jaar geleden zijn ingevoerd en geenszins de uitdagingen van de hedendaagse globale digitaliserende economie weerspiegelen?

Het zou niet fair zijn ondubbelzinnig negatief te antwoorden, vandaar mijn pleidooi voor nuance in het debat. Natuurlijk moeten die oude regels op de schop. Daarom werkt de OESO aan een unified approach rond internationale fiscaliteit, samen met haar 34 lidstaten uitgebreid tot 136 landen, inclusief opkomende economieën en ontwikkelingslanden. Toch blijft de vraag of we dat louter kunnen overlaten aan een denktank (OESO) met een politiek mandaat (G20), die bovendien claimt dat op multilaterale basis te doen.

Geen enkel land verdient het in zijn fiscale soevereiniteit beknot te worden.

'Welk multilateralisme?' is daarbij de vraag. Waar vennootschapsbelasting gemiddeld minder dan 10 procent van de fiscale inkomsten uitmaakt, gaat het vaak om een derde of meer van de fiscale inkomsten in bijvoorbeeld Afrikaanse ontwikkelingslanden. Die unified approach is daarmee alles behalve' unified' of inclusief, maar eerder een cocktail van zodanig uiteenlopende voorstellen die lang genoeg geschud werden zodat de geest wel helemaal uit de fles lijkt.

De 136 landen van het inclusive framework ruiken een goede zaak: een internationale fiscale normering op basis van een mechanische set van regels komt hen mogelijk wel goed uit, vooral nu een opbod lijkt te ontstaan rond het deel van de globale winst (ebit) dat toekomt aan die landen waar bepaalde routineactiviteiten plaatsvindt. De reacties van landen die prat gaan op hun brainpower blijft niet uit. In Zwitserland, Ierland, de Scandinavische landen en zelfs in Duitsland en de VS gaan sceptische stemmen op. Willen ze de opleiding veiligstellen van mensen die terechtkomen in hun hoogtechnologische en farmaceutische sectoren, dan moet de opleiding aan gerenommeerde academische instellingen ook gefinancierd kunnen worden.

De handdoek in de ring gooien is geen optie. Het was breaking news dat de Franse minister van Financiën, Bruno Lemaire, vreest dat de VS in achteruit gaat en zich helemaal wil terugtrekken uit het OESO-project rond de nieuwe fiscale spelregels. Misschien heeft zijn Digital Service Tax van 3 procent daar wel wat mee te maken?

Stem van ondernemingen

Hoog tijd dat de landen die meegesleurd dreigen te worden in een fundamentele internationale fiscale hervorming, zonder de tijd te krijgen de macro-economische effecten grondig te berekenen, zich wat meer met het debat bemoeien. De stem van ondernemingen, niet-gouvernementele organisaties, parlementaire debatten, de academische wereld worden alsmaar belangrijker in deze fase van het debat. Of dacht u het aan de G20 over te laten om de zaken op te lossen? Sinds zondag is Saudi-Arabië de nieuwe voorzitter van de G20. Het heeft een ambitieuze agenda: klimaat, vrouwenrechten en vele andere urgenties staan op het programma en - hoewel het misschien het voordeel van de twijfel verdient - is het allesbehalve vanzelfsprekend dat Saudi-Arabië de huidige internationale fiscale kakofonie tot een veilige landing brengt.

Geen enkel land verdient het in zijn fiscale soevereiniteit beknot te worden. Fiscaliteit speelt een grote rol in het aantrekken van investeringen en economische groei. De accenten rond duurzaamheid en innovatie moeten het prerogatief zijn van een efficiënte overheid, die zich in dit debat baseert op principes en de rol van ondernemingen en burgers daarin ten volle erkent.

Maandag lanceerden de Verenigde Staten (VS) een nieuw salvo tegen Frankrijk in de strijd om de belastinginkomsten van Amerikaanse internetgiganten. De Amerikaanse handelsvertegenwoordiging, de US Trade Agency Representative's Office, plant een importheffing tot 100 procent op Franse producten die in deze periode van het jaar heel wat feesttafels opleuken, zoals champagne of kazen, of onder de kerstboom liggen, zoals cosmetica en handtassen. Daarmee is het tegenoffensief ingezet tegen de belasting van 3 procent op digitale diensten, die Frankrijk eerder invoerde op inkomsten uit digitale marktplaatsen en reclame via sociale media. Die was volgens de Amerikanen "onredelijk, discriminatoir en beperkend voor de Amerikaanse handel", want niet toevallig wordt de digitale economie gedomineerd door Amerikaanse bedrijven.Dit is een zoveelste veldslag in de strijd om de fiscale koek van ondernemingen die internationaal actief zijn. Onder het mom van fiscale rechtvaardigheid worden winsten - en zelfs inkomsten - zonder schroom of wettelijke basis in het fiscale vangnet opgenomen. De internationale fiscale politiek dreigt terecht te komen in een moeras van opportunistische démarches van mensen die geacht worden gedegen wetsvoorbereidend werk te leveren, maar steeds meer in het oog van een populistische storm staan. Volgens professor emeritus Blair Sheppard (Duke University) drijft de crisis in de institutionele legitimiteit de druk op politici om het vertrouwen van de burger te herstellen, dermate op, dat ondernemingen gemakkelijker opgeofferd worden.Maar is het terecht de pijlen enkel te richten op ondernemingen, zonder zelfs een begin van een deugdelijke oplossing te bieden voor het herkalibreren van de internationale fiscale spelregels, die bijna 100 jaar geleden zijn ingevoerd en geenszins de uitdagingen van de hedendaagse globale digitaliserende economie weerspiegelen?Het zou niet fair zijn ondubbelzinnig negatief te antwoorden, vandaar mijn pleidooi voor nuance in het debat. Natuurlijk moeten die oude regels op de schop. Daarom werkt de OESO aan een unified approach rond internationale fiscaliteit, samen met haar 34 lidstaten uitgebreid tot 136 landen, inclusief opkomende economieën en ontwikkelingslanden. Toch blijft de vraag of we dat louter kunnen overlaten aan een denktank (OESO) met een politiek mandaat (G20), die bovendien claimt dat op multilaterale basis te doen.'Welk multilateralisme?' is daarbij de vraag. Waar vennootschapsbelasting gemiddeld minder dan 10 procent van de fiscale inkomsten uitmaakt, gaat het vaak om een derde of meer van de fiscale inkomsten in bijvoorbeeld Afrikaanse ontwikkelingslanden. Die unified approach is daarmee alles behalve' unified' of inclusief, maar eerder een cocktail van zodanig uiteenlopende voorstellen die lang genoeg geschud werden zodat de geest wel helemaal uit de fles lijkt.De 136 landen van het inclusive framework ruiken een goede zaak: een internationale fiscale normering op basis van een mechanische set van regels komt hen mogelijk wel goed uit, vooral nu een opbod lijkt te ontstaan rond het deel van de globale winst (ebit) dat toekomt aan die landen waar bepaalde routineactiviteiten plaatsvindt. De reacties van landen die prat gaan op hun brainpower blijft niet uit. In Zwitserland, Ierland, de Scandinavische landen en zelfs in Duitsland en de VS gaan sceptische stemmen op. Willen ze de opleiding veiligstellen van mensen die terechtkomen in hun hoogtechnologische en farmaceutische sectoren, dan moet de opleiding aan gerenommeerde academische instellingen ook gefinancierd kunnen worden.De handdoek in de ring gooien is geen optie. Het was breaking news dat de Franse minister van Financiën, Bruno Lemaire, vreest dat de VS in achteruit gaat en zich helemaal wil terugtrekken uit het OESO-project rond de nieuwe fiscale spelregels. Misschien heeft zijn Digital Service Tax van 3 procent daar wel wat mee te maken?Hoog tijd dat de landen die meegesleurd dreigen te worden in een fundamentele internationale fiscale hervorming, zonder de tijd te krijgen de macro-economische effecten grondig te berekenen, zich wat meer met het debat bemoeien. De stem van ondernemingen, niet-gouvernementele organisaties, parlementaire debatten, de academische wereld worden alsmaar belangrijker in deze fase van het debat. Of dacht u het aan de G20 over te laten om de zaken op te lossen? Sinds zondag is Saudi-Arabië de nieuwe voorzitter van de G20. Het heeft een ambitieuze agenda: klimaat, vrouwenrechten en vele andere urgenties staan op het programma en - hoewel het misschien het voordeel van de twijfel verdient - is het allesbehalve vanzelfsprekend dat Saudi-Arabië de huidige internationale fiscale kakofonie tot een veilige landing brengt.Geen enkel land verdient het in zijn fiscale soevereiniteit beknot te worden. Fiscaliteit speelt een grote rol in het aantrekken van investeringen en economische groei. De accenten rond duurzaamheid en innovatie moeten het prerogatief zijn van een efficiënte overheid, die zich in dit debat baseert op principes en de rol van ondernemingen en burgers daarin ten volle erkent.