Groei

" De Nederlandse economie verkeert in blakende gezondheid", jubelde het Centraal Bureau voor de Statistiek onlangs. De cijferaars van het Nederlandse statistische bureau hadden net berekend dat de groei vorig jaar 2,1 procent bedroeg. In ons land nam de economische activiteit maar toe met 1,2 procent.
...

" De Nederlandse economie verkeert in blakende gezondheid", jubelde het Centraal Bureau voor de Statistiek onlangs. De cijferaars van het Nederlandse statistische bureau hadden net berekend dat de groei vorig jaar 2,1 procent bedroeg. In ons land nam de economische activiteit maar toe met 1,2 procent. Nederland heeft zijn groeispurt deels te danken aan een ingebouwde hefboom. "Nederlanders hebben veel schulden, maar ook veel bezit, vooral vastgoed", zegt Bas Jacobs, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. "De vastgoedprijzen werken daardoor heel sterk door. Als het slecht gaat, zoals tijdens de crisis, komen de mensen direct in de problemen. Nu de huizenmarkt weer op volle toeren draait, zien we dat de consumptie onmiddellijk sterk stijgt." De hogere Nederlandse groei is deels ook een inhaalbeweging. Onze noorderburen kregen het tijdens de crisis veel zwaarder te verduren en het duurde twee jaar langer eer de economie weer op het peil van vóór de crisis belandde. Vandaag ziet Nico Klene, een econoom van ABN AMRO, nog altijd een aanzienlijke onderbenutting. "Daardoor kan de Nederlandse economie een versnelling plaatsen." In Nederland smelt de onderbenutting van de productiecapaciteit - de output gap in het jargon van economen - als sneeuw voor de zon. De potentiële groei bedraagt volgens de Nederlandsche Bank 1,2 procent. Dat is de groei die de Nederlandse economie kan volhouden zonder dat inflatie en oververhitting dreigen. De werkelijke groei zit daar fors boven. En dat mist zijn effect niet: terwijl de onderbenutting in Nederland twee jaar geleden nog 3 procent bedroeg, zal de economie volgend jaar weer bijna op volle kracht draaien. In België daarentegen blijft de groei hardnekkig op of onder de potentiële groei van naar schatting 1,5 procent hangen. Op die manier dreigt de onderbenutting, die nu nog lager is dan in Nederland, een chronische aandoening te worden en riskeert ons land een deel van de opwaartse spiraal van de dalende werkloosheid, de toenemende consumptie en de stijgende overheidsinkomsten mis te lopen. We hoeven de Nederlanders niet te benijden dat de vastgoedmarkt er de richting van de economie dicteert. Maar een cocktail van verstandige investeringen, structurele ingrepen en een gezond begrotingsbeleid zou de groei in ons land wel hoger kunnen tillen. België prijkt op de zeventiende plaats in de Global Competitiveness List van het Wereld Economisch Forum. Een plaatsje in de top twintig oogt verdienstelijk, maar de Nederlanders doen het veel beter. Hun gestage opmars heeft hen voor het eerst tot op de vierde plaats in de invloedrijke ranking gebracht, waar ze enkel nog de Verenigde Staten, Singapore en Zwitserland voor zich moeten dulden. Wie het rapport voor beide landen vergelijkt, komt tot een aantal pijnlijke vaststellingen. Zo scoort Nederland bijzonder goed in infrastructuur. België daarentegen staat met de kwaliteit van zijn wegen pas op de 35ste plaats. Dat is zorgwekkend voor een land dat een toekomst als logistieke draaischijf ambieert. Nederland is ook top in wetenschappelijk onderzoek, innovatie en de samenwerking tussen de universiteiten en de privésector - punten waarop België niet door de mand valt, maar wel onder moet doen. Veruit het meest problematisch voor wie in ons land zaken wil doen, zijn de hoge belastingen en de complexe fiscale regels. Het Wereld Economisch Forum onderzoekt onder meer welke impact belastingen hebben op het investeringsklimaat. Nederland mist daarin nipt de top twintig, maar België loopt mijlenver achterop op plaats 97 van de 138 landen. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat veel internationale bedrijven een standplaats boven de Moerdijk verkiezen. Volgens Bas Jacobs is de belangrijkste factor in het Nederlandse succes de jarenlange loonmatiging. "Door het grote overschot op de arbeidsmarkt bleven de lonen laag. Ze stegen zelfs minder snel dan de inflatie. In reële termen zijn de loonkosten de voorbije jaren dus gedaald, en is Nederland competitiever geworden." De loonkosten blijven de achilleshiel van de Belgische economie. Deels door de taxshift, die de lasten op arbeid verlaagde, en de indexsprong is de sinds 1996 opgelopen loonkostenhandicap tegenover Nederland volledig verdwenen. Maar daarmee is de historische achterstand niet dichtgereden. De regering-Michel nam bovendien een aantal maatregelen die de inflatie in ons land mee deden oplopen tot 3 procent. Door de indexering van de lonen dreigt dat de inspanningen van de voorbije jaren teniet te doen. Sinds het aantreden van de regering-Michel in oktober 2014 groeide het aantal banen in België met 127.200. Vorig jaar kwamen er 59.000 banen bij en steeg de werkgelegenheid met 1 procent. Ook in Nederland nam de werkgelegenheid vorig jaar toe met 1 procent. Toch doen we daarmee niet even goed dan onze noorderburen. De extra banencreatie is slechts één aspect van een gezonde arbeidsmarkt. Daarnaast is ook de werkgelegenheidsgraad van belang (het aantal mensen dat werkt in verhouding tot de beroepsbevolking). Die nam in België sinds de eeuwwisseling amper toe van 65,8 tot 67,4 procent. Er bieden zich steeds meer mensen aan op de arbeidsmarkt, maar de Belgische werkgelegenheidsgraad ligt wel 10 procentpunt onder de Nederlandse. Om de Belgische werkgelegenheidsgraad op het Nederlandse niveau te tillen, moeten 900.000 Belgen extra aan het werk. Ook de Belgische werkloosheid is hoger: 8 procent, tegenover 6 procent in Nederland. Volgend jaar zou de Nederlandse werkloosheidsgraad dalen naar 5,3 procent. De hoge Nederlandse werkgelegenheidsgraad heeft drie oorzaken: de groei is er sterker, er is meer deeltijdse arbeid en de arbeidsmarkt is er flexibeler. 49 procent van de Nederlandse werknemers heeft een deeltijdse baan, in België is dat 24,5 procent. Veel jongeren stromen de Nederlandse arbeidsmarkt binnen via deeltijds werk, of als flexwerker via tijdelijke contracten in het statuut van zzp'er (zelfstandige zonder personeel). Het aandeel van de werkenden met een tijdelijk contract steeg van 15 procent in 2004 tot 22 procent in 2014. In 2013 was dat in de Europese Unie nog 14 procent en in België 8,5 procent. Over die periode steeg het aandeel van de zzp'ers in Nederland van 8 naar 12 procent. Onderzoek leert dat de ontslagbescherming voor flexwerkers in Nederland de laagste van Europa is, na die in Groot-Brittannië. Daardoor worden tijdelijke werknemers sneller ontslagen, maar ook sneller aangeworven. De Belgische tijdelijke ontslagbescherming behoort tot de hoogste van Europa. Ons land moet enkel Frankrijk, Italië en Spanje laten voorgaan. De Europese Commissie waarschuwde onlangs wel voor de dualisering van de Nederlandse arbeidsmarkt: flexwerkers verdienen gemiddeld 30 procent minder dan vaste werknemers. Lans Bovenberg, een econoom van de Universiteit Tilburg, deelt die kritiek: "De banenmarkt lijkt beter dan ze is. Er zijn terechte zorgen over het duale karakter van de Nederlandse arbeidsmarkt, met een groot verschil tussen vaste en flexibele banen. Daar moet een volgende kabinet wat aan doen." Maar een studie van de Nederlandsche Bank relativeert dat: de groei van het aantal zzp'ers is in de loop van vorig jaar gestokt. Door de toenemende krapte op de arbeidsmarkt kiezen Nederlanders sneller voor een vaste en dus beter betaalde baan. De sanering van de overheidsfinanciën blijft de zwakke flank van de regering-Michel. Bij haar aantreden beloofde ze plechtig een structureel begrotingsevenwicht te halen in 2018. In 2019 zou zelfs een nominaal begrotingsevenwicht worden bereikt. Dat is niet gebeurd. Nederland scoort op dat gebied stukken beter. De begroting zal er dit jaar voor het eerst in 2017 in evenwicht zijn, vorig jaar was er nog een klein tekort van 0,2 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Dat de Nederlandse overheidsfinanciën op orde zijn, heeft te maken met de sterke economische groei, die voor extra banen zorgt. Dat vertaalt zich in meer inkomsten uit sociale bijdragen en belastingen, en in lagere uitgaven, omdat er minder uitkeringen moeten worden betaald. Daarnaast heeft de Nederlandse regering echt werk gemaakt van besparingen. In 1995 lagen de overheidsuitgaven zowel in Nederland als in België rond 40 procent. Door de impact van de crisis en de oplopende vergrijzingskosten stegen de uitgaven in Nederland in 2009 tot bijna 42 procent. Ondertussen zijn ze gedaald naar 40 procent van het bbp. Minister-president Mark Rutte keek bij zijn aantreden in 2010 aan tegen een begrotingstekort van 5,6 procent. De voorbije zes jaar bezuinigde hij ruim 50 miljard euro in de sociale zekerheid, de zorg en het onderwijs. In België zijn de lopende overheidsuitgaven gestegen tot 48 procent van het bbp in 2012. Sindsdien zijn ze op dat niveau blijven hangen. In essentie komt het erop neer dat de Belgische uitgaven minder snel stijgen dan vroeger, zonder echt te dalen.Toch is er in Nederland kritiek op het begrotingsbeleid van de regeringen-Rutte. De Nederlandse econoom Bas Jacobs zegt dat er te hard is bespaard. "Zeven jaar lang ben ik op de schadelijke gevolgen blijven hameren. De besparingen hebben een derde van de recente recessies veroorzaakt. Daardoor is het bbp 5 procent minder gegroeid. Dat is structureel. Die komen niet meer terug. Zo zijn we tientallen miljarden belastinginkomsten misgelopen. Het begrotingsbeleid heeft de economie en de overheid armer gemaakt. Daardoor zijn er 350.000 banen minder gecreëerd dan verwacht. Het herstel was beter geweest zonder dat beleid." Jacobs hoedt zich voor een vergelijking met België, waar de sanering van de overheidsfinanciën volgens hem veel dringender was en is. Hij wijst onder andere op het verschil in de overheidsschuld: 107 procent van het bbp in België, tegenover 62 procent in Nederland. "Nederland heeft helemaal geen probleem met de houdbaarheid van de overheidsschuld", zegt Jacobs. "Door de verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar vanaf 2021 (in België is dat pas vanaf 2030) en de hervormingen in de zorg hebben we niet dezelfde problemen met de vergrijzing als België. Ook de verlaging van de hypotheekrenteaftrek houdt de overheidsfinanciën gezond. Dat zijn allemaal hervormingen waar ik ten volle achtersta. Bovendien heeft Nederland een megaoverschot op de lopende rekening. Nederland leent dus massaal aan het buitenland, wat maakt dat de schuld binnenlands financieren geen probleem is."