Het is een klassieker in de aanloop naar verkiezingen: allerlei belangengroepen maken hun bezorgdheden bekend. De Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten (VVSG) kwam met een verontrustende waarschuwing. De pensioenfactuur die de lokale besturen moet betalen voor hun statutaire medewerkers blijft oplopen tot wat de VVSG "gigantisch hoge bedragen" noemt. Vandaag is dat al 2,5 miljard euro, en tegen 2024 komt daar nog eens 800 miljoen euro bij.

In tegenstelling tot andere overheidsniveaus en de private sector, financieren de lokale besturen de pensioenen van hun statutaire personeelsleden zelf. Dat gebeurt met een klassiek repartitiesysteem: ieder jaar bepaalt het Gesolidariseerd Pensioenfonds van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten de basisbijdragevoet op het salaris van de actieve ambtenaren die nodig is om de pensioenuitgaven van dat jaar te dekken. In 2019 bedraagt die 41,5 procent (7,5% werknemersbijdrage en 34% werkgeversbijdrage). Betaalt een bestuur minder dan zijn pensioenlasten van dat jaar, dan moet het bestuur ook een responsabiliseringsbijdrage betalen.

De financiering van de pensioenen van hun voormalige statutaire ambtenaren is voor de lokale besturen een steeds grotere last, omdat het aantal bijdragers daalt terwijl almaar meer ambtenaren met pensioen gaan en langer genieten van hun pensioen. Tegelijk hebben de lokale besturen het ook op andere vlakken moeilijk om hun financiën op spoor te houden. Ze hebben extra opdrachten gekregen en de belastinginkomsten staan onder druk. Een deel van de fiscale inkomsten van steden en gemeenten komt uit de opcentiemen in de personenbelasting. Maar door het toenemende aantal gepensioneerden daalt het netto belastbaar inkomen en zijn er minder inkomsten voor de gemeenten. Volgens cijfers van Belfius dalen de gemeentelijke ontvangsten uit de personenbelasting in de periode 2015-2030 met 14 procent.

Gemeenten willen vermijden dat de lokale belastingen worden verhoogd om de pensioenfactuur te betalen

Minder ruimte voor ander beleid

De VVSG berekende dat het aandeel van de pensioenlasten in vijf jaar tijd is gestegen van 8,52 naar 10,53 procent van de gemeentelijke exploitatie-uitgaven in Vlaanderen. Dat zijn de personeels- en werkingskosten om de werking van de organisatie te betalen. De eerste 42 dagen van een kalenderjaar gaan de exploitatie-uitgaven van een Vlaamse gemeente volledig naar de financiering van de pensioenen van hun gewezen ambtenaren. Kan die factuur worden betaald door lokale belastingen te verhogen? "Gemeenten willen dat tot elke prijs vermijden", zegt Mieck Vos, de algemeen directeur van de VVSG.

Ze gebruiken wel middelen uit het Gemeentefonds - geld van de Vlaamse overheid voor de lokale besturen - om hun pensioenlasten te betalen. Vos: "Het Gemeentefonds groeide de voorbije periode met 3,5 procent per jaar, maar dat volstond niet om de hogere pensioenfactuur op te vangen. In 2012 moesten de gemeenten 33 procent van het Gemeentefonds gebruiken voor pensioenen van hun vroegere statutaire personeelsleden, in 2017 was dat 37,3 procent. Dat belet dat er andere dingen gebeuren, zoals de aanleg van fietspaden of armoedebestrijding."

Een extra Vlaamse inspanning?

De VVSG wil dat de lokale besturen niet meer zo goed als integraal opdraaien voor de eigen pensioenfactuur. De pensioenen van het personeel van de andere overheidsniveaus worden zo goed als helemaal gedragen door de federale schatkist. Wel is afgesproken dat de gemeenschappen en gewesten aan de federale overheid een responsabiliseringsbijdrage betalen voor de pensioenen van de eigen ambtenaren. Dit jaar betaalt Vlaanderen 121.735.473 euro aan de federale staat. De bijdrages dekken momenteel ongeveer één vijfde van de pensioenlast voor ambtenaren, maar amper 2,43 procent als ook de pensioenen van het onderwijzend personeel worden meegerekend.

De Vlaamse regering betaalt relatief weinig voor de pensioenen van haar ambtenaren, en dus kan ze een extra inspanning leveren om de lokale pensioenbom te ontmijnen, redeneert de VVSG. Een andere mogelijkheid is dat de federale overheid een deel van de factuur betaalt. In een van de berekeningen zou de federale regering 855 miljoen euro van de 2,4 miljard euro lokale pensioenen betalen. Maar het is de vraag of de volgende federale en regionale regeringen staan te springen om een extra bijdrage te leveren. Hun eigen pensioenrekening klimt ook, en dat in een weinig opbeurend budgettair klimaat. In Vlaanderen dreigt een begrotingsgat van 600 miljoen euro, en het deficit voor het België loopt volgens het Planbureau op tot 9,6 miljard euro.

Cijfers van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) leren dat de factuur van de overheidspensioenen tussen 2019 en 2023 met 900 miljoen euro stijgt naar 7,9 miljard euro. Wellicht zal de volgende federale regering proberen elke overheid in het bad te trekken voor de financiering van de overheidspensioenen. Dat vergt een wijziging van de bijzondere financieringswet, waarbij de pensioenbijdragen van de gewesten en gemeenschappen sterk zouden toenemen. Wil Vlaanderen dat wel doen als de coalities op federaal en regionaal niveau te veel verschillen?

Hogere bijdrage

In het verleden gebeurde het weleens dat Vlaanderen het federale niveau in de problemen bracht. Dan werd het voorbeeld genoemd van een Vlaamse overheid die haar contractuele ambtenaren aan het einde van hun loopbaan nog een vast benoeming gaf. Voor hun pensioenuitkeringen scheelde dat een stevige slok op de borrel, want de berekening van het pensioen van vastbenoemde ambtenaren gebeurt op basis van het loon van de voorbije tien jaar, voor contractuelen is dat de volledige loopbaan. "Dat is een mythe uit het verleden", zegt Joris Lermytte, pensioenexpert van de overheidsvakbond ACV Openbare Diensten. "De wetgeving laat dat niet meer toe. Het gebeurde in beperkte mate bij lokale overheden, maar er is nooit massaal benoemd aan het einde van de loopbaan."

De responsabiliseringsbijdrage van de deelstaten zal sowieso stijgen. Die bedroeg voor Vlaanderen aan het begin van de vorige legislatuur 84 miljoen euro, dit jaar is ze gestegen tot 121,7 miljoen euro en in 2020 wordt dat 131 miljoen euro. De bedragen zijn vastgelegd in de financieringswet. Voor 2021-2027 is de bijdrage nog niet vastgelegd. Maar het is de bedoeling dat ze stijgt tot het niveau van de werkgeversbijdrage in het stelsel van de werknemerspensioenen: 8,86 procent. Veel hangt af van hoe het Vlaamse ambtenarenbestand de komende jaren evolueert, maar op een statutaire loonmassa van 7 miljard euro betekent dat zo'n 620 miljoen euro, een veelvoud van wat Vlaanderen nu betaalt. Dat is geen vrolijk vooruitzicht voor de volgende bewoner van het Brusselse Martelaarsplein 19.

Vlaams pensioenfonds voor contractuele ambtenaren

Vlaanderen kan de pensioenfactuur voor de eigen ambtenaren doen dalen door meer een beroep te doen op contractuele personeelsleden. Momenteel zijn 7700 van de 28.600 Vlaamse ambtenaren contractuelen. Zelfs als dat aantal toeneemt, duurt het nog een hele tijd vooraleer dat te merken is in de pensioenlasten. Maar het maakt sowieso een verschil. Contractuelen vallen onder het wettelijk werknemerspensioen dat een kwart tot een derde lager ligt dan de statutaire pensioen. "Hun pensioen wordt berekend op de hele loopbaan, en niet de laatste vijf jaar. Een volledig werknemerspensioen is 60 procent van de wedde; een overheidspensioen 75 procent", legt Joris Lermytte uit. De vorige Vlaamse regering heeft een pensioenfonds opgericht voor contractuele ambtenaren. Met een bijdrage van 3 procent op het loon kan ongeveer de helft van de pensioenkloof tussen contractuelen en statutairen worden gedicht. Lermytte: "Al ruim een decennium zet ACV Openbare Diensten zich in voor een aanvullend pensioen voor de overheidswerknemers. We hadden het liever anders gezien, maar contractuele tewerkstelling wordt steeds meer permanent ingezet. Zij moeten voor hetzelfde pensioen krijgen als de benoemden. Om de pensioenkloof echt te dichten is een bijdrage van minstens 7 procent van het loon nodig. Dat is meteen ook ons streefdoel."