Het kan vlug veranderen. Tot voor kort lagen de Belgische vakbonden en de werkgeversorganisaties op ramkoers. ACV, ABVV en ACLVB beschouwden het VBO en Unizo als een verlengstuk van de centrumrechtse regering-Michel waarmee geen afspraken konden worden gemaakt. Het beleid van de federale regering - besparingen, een indexsprong - zorgde de voorbije twee jaar voor protestacties en stakingen.
...

Het kan vlug veranderen. Tot voor kort lagen de Belgische vakbonden en de werkgeversorganisaties op ramkoers. ACV, ABVV en ACLVB beschouwden het VBO en Unizo als een verlengstuk van de centrumrechtse regering-Michel waarmee geen afspraken konden worden gemaakt. Het beleid van de federale regering - besparingen, een indexsprong - zorgde de voorbije twee jaar voor protestacties en stakingen.Maar sinds woensdagavond zijn vakbonden en werkgevers weer goede vrienden. Voor het eerst sinds 2009 konden alle sociale partners in de Groep van Tien een interprofessioneel akkoord afsluiten. Vakbonden en werkgevers vonden elkaar in een reële loonmarge van 1,1 procent voor de komende twee jaar. Voeg daar de verwachte indexeringen bij van 2,9 procent voor 2017-2018, en de werknemers in de privésector kunnen rekenen op een loonstijging van 4 procent.Dat is een trendbreuk, want de voorbije jaren was amper sprake van enige reële loonmarge. In de periode 2011-2015 bedroeg die steevast 0 procent. In 2016 konden bedrijven een beperkte reële loonstijging toekennen van 0,8 procent, maar dat was na het jaar waarin de indexsprong werd opgelegd. Loonaanpassingen aan de stijgende levensduurte à rato van 2 procent werden zo geneutraliseerd.Dat er nu wel ruimte is voor reële loonstijgingen, heeft twee oorzaken. Ten eerste is de loonkostenhandicap weggewerkt die België sinds 1996 had opgebouwd ten opzichte van de buurlanden, en is er dus wat meer loonmarge. Ten tweede voorspelt de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven dat de lonen in het buitenland sneller stijgen dan in België. De 1,1 procent reële loonstijging zullen de vakbonden probleemloos kunnen verkopen aan de achterban. De werkgevers hadden wellicht op iets minder gehoopt (0,9% maximum), maar waren bereid meer toe te staan en zo wellicht voor twee jaar sociale vrede te garanderen.Wel rijst de vraag of dit akkoord op termijn een goede zaak is voor het concurrentievermogen van de Belgische ondernemingen. Het VBO en Unizo verdedigen het akkoord door erop te wijzen dat de lonen in de buurlanden de komende twee jaar met 4,3 tot 4,6 procent stijgen. Meer dus dan de Belgische 4 procent.Maar het Planbureau kwam vorige week wel met cijfers waaruit blijkt dat de inflatie in België dit jaar tot 2,2 procent zal toenemen. De gezondheidsindex, die de lonen doet stijgen met de toenemende levensduurte, zou dit jaar 1,8 procent stijgen. Dat is meer dan de voorspellingen in het centraal akkoord (1,45% indexaanpassing voor 2017 of de helft van 2,9% indexaanpassingen voor de komende twee jaar). Dus zouden de Belgische lonen de komende twee jaar wel eens met meer dan 4 procent kunnen stijgen. En dan komen we opnieuw dicht in de buurt van de loonevolutie in de buurlanden.Dat er voor het eerst sinds 2009 een door iedereen ondertekend interprofessioneel akkoord is, heeft ook te maken met het feit dat er wat extra lekkers in zit voor de vakbonden. Het welvaartsbudget (het geld om de uitkeringen te verhogen) zal dit jaar 169,9 miljoen euro bedragen. Op jaarbasis en op kruissnelheid spreken we van 506,8 miljoen euro in 2018.Ook komt er een versoepeling van de instapleeftijd voor SWT (stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, het vroegere brugpensioen) bij herstructureringen. Normaal zou de minimumleeftijd voor brugpensioen in bedrijven in herstructurering worden opgetrokken naar 57 jaar. De sociale partners hebben die leeftijd verlaagd naar 56 jaar. De zeer langzame uitdoving van het brugpensioen wordt hiermee nog vertraagd.Ook al daalt het aantal bruggepensioneerden gestaag (het zijn er nog zo'n 95.000), deze maatregel heeft net als het verhogen van de uitkeringen budgettaire gevolgen. Meer bepaald voor de sociale zekerheid die al met een structureel deficit kampt. In die zin lijkt dit interprofessioneel akkoord sterk op degene die in het verleden werden afgesloten: miljoenen euro's gelden als smeermiddel om een overeenkomst mogelijk te maken. En uiteindelijk moet de belastingbetaler dit akkoord financieren.