Het Belgische begrotingstekort bedraagt dit jaar 52,756 miljard euro of 12,31 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Dat berekende het Monitoringcomité, het orgaan van ambtenaren dat de overheidsfinanciën opvolgt. Ten opzichte van 2019 is dat een verhoging met 43,727 miljard euro of bijna 10 procentpunt. Dat de begroting zo diep in het rood gaat, is het gevolg van de coronapandemie. De ineengestorte economische groei (-10,5% dit jaar volgens het Planbureau) doet de overheidsinkomsten opdrogen en de uitgaven toenemen. Daarnaast is er de impact van de maatregelen die de overheden hebben genomen om de coronaschok op te vangen, zoals het betalingsuitstel voor belastingen en allerlei ondersteunende maatregelen, van tijdelijke werkloosheid tot hinder- en compensatiepremies. Zonder het betalingsuitstel voor belastingen en de staatsgaranties voor onbetaalde leningen lopen de coronasteunmaatregelen op tot 15 miljard euro. De Nationale Bank berekende dat het inkomensverlies voor gezinnen en bedrijven dit jaar voor bijna 60 procent wordt opgevangen door de overheid.
...

Het Belgische begrotingstekort bedraagt dit jaar 52,756 miljard euro of 12,31 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Dat berekende het Monitoringcomité, het orgaan van ambtenaren dat de overheidsfinanciën opvolgt. Ten opzichte van 2019 is dat een verhoging met 43,727 miljard euro of bijna 10 procentpunt. Dat de begroting zo diep in het rood gaat, is het gevolg van de coronapandemie. De ineengestorte economische groei (-10,5% dit jaar volgens het Planbureau) doet de overheidsinkomsten opdrogen en de uitgaven toenemen. Daarnaast is er de impact van de maatregelen die de overheden hebben genomen om de coronaschok op te vangen, zoals het betalingsuitstel voor belastingen en allerlei ondersteunende maatregelen, van tijdelijke werkloosheid tot hinder- en compensatiepremies. Zonder het betalingsuitstel voor belastingen en de staatsgaranties voor onbetaalde leningen lopen de coronasteunmaatregelen op tot 15 miljard euro. De Nationale Bank berekende dat het inkomensverlies voor gezinnen en bedrijven dit jaar voor bijna 60 procent wordt opgevangen door de overheid.Het gevolg is dat België aankijkt tegen een begrotingstekort zoals in 1984, dat toen net geen 12 procent van het bbp bedroeg. Het lijkt erop dat we meer dan 35 jaar terug in de tijd worden gekatapulteerd. Het begrotingsdeficit maakt dat de staatsschuld dit jaar met 20 procentpunt toeneemt tot 120 procent van het bbp. We staan voor de zoveelste grote saneringsoperatie in de Belgische geschiedenis. Er was die van de jaren tachtig, toen een devaluatie, indexsprongen en besparingen de overheidsfinanciën op de sporen moesten krijgen, en die van de jaren negentig, toen België moest slagen voor het examen om toe te treden tot de Europese muntunie. Die begrotingssaneringen zijn met relatief succes afgerond. Waarom zou het straks niet lukken? De situaties zijn niet volledig te vergelijken. Factoren die de sanering minder moeilijk maken, wegen niet op tegen de elementen die ze zwaarder maken, blijkt uit een rondvraag bij specialisten.Het begrotingstekort van 12 procent dit jaar is wegens de coronapandemie een momentopname. Na de ongeziene economische dip van 2020 wordt in 2021 een groeiherstel verwacht: 8,2 procent in 2021 en 3,3 procent in 2022. Vanaf 2023 groeit de economie weer volgens een traject gelijkaardig aan dat van voor de crisis. Dat leidt tot meer overheidsinkomsten en minder uitgaven. De fiscale ontvangsten worden dit jaar geraamd op 106,706 miljard euro, of 15,2 miljard minder dan de pre-coronavoorspelling. In 2022 zouden de belastinginkomsten weer boven dat niveau uitkomen met 122 miljard euro. Het gevolg is dat het begrotingstekort in 2021 afneemt tot 31 miljard euro, of 6,69 procent van het bbp. Voor 2022 raamt het Monitoringcomité het tekort op 26,5 miljard euro of 5,38 procent. Volgens het Planbureau zal het tekort daarna structureel rond 5 procent van het bbp schommelen, net zoals halverwege de jaren negentig."Het tekort van 12 procent is tijdelijk. Veel belangrijker is dat we zonder ingrepen ook na de crisis met een belangrijk structureel tekort blijven zitten", waarschuwt Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van de Vlaamse werkgeversorganisatie Voka. "Het is logisch dat er een inhaaloperatie in de overheidsinkomsten volgt", zegt Herman Matthijs, professor overheidsfinanciën (VUB en UGent). "De btw-inkomsten zijn ineengestort omdat de consument de vinger op de knip hield en bedrijven btw-betalingen konden uitstellen. In maart dacht men nog aan 35,6 miljard euro btw-inkomsten. Dat is nu 4 miljard euro minder. Er wordt voorspeld dat die opnieuw zullen toenemen. Hetzelfde geldt voor andere fiscale inkomsten. Maar daarmee kom je niet direct in de pre-coronatoestand. Het aantal faillissementen zal stijgen, er komen meer werklozen. Dat zal wegen op de begroting." "We moeten terug naar de filosofie van de gouden financieringsregel", vult Wim Moesen, professor emeritus overheidsfinanciën (KU Leuven) aan. "Uitgaven die jaarlijks terugkomen moet je financieren met reguliere middelen zoals belastingen en sociale bijdragen. Daarvoor mag je niet lenen. Dat kan wel om te investeren in bijvoorbeeld wegen en schoolgebouwen, en voor buitengewone uitgaven als gevolg van de coronapandemie." Volgens Moesen zal het tekort snel dalen richting 5 tot 6 procent van het bbp. Dat is een snellere daling dan in de jaren tachtig. Het duurde tot 1987 vooraleer het begrotingstekort onder 10 procent zakte. In 1994 bedroeg het nog altijd 6 procent van het bbp. Moesen: "In post-coronatijden kan het deficit stapsgewijs en met de nodige discipline naar 2,3 procent van het bbp. In normale tijden bedragen de overheidsinvesteringen 2,3 procent van het bbp. Hopelijk bereiken we in 2022 de gouden financieringsregel." De relatief trage daling van de tekorten in de jaren tachtig had veel te maken met de hoge rentelasten op de staatsschuld door hoge internationale rentevoeten. In 1984 bedroegen de rentelasten op de staatsschuld meer dan 10 procent van het bbp, in 1990 ging bijna 12 procent van het bbp naar de betaling van de rente op de overheidsschuld. Dat is een gigantisch bedrag dat een zware hypotheek legt op de beschikbare beleidsmarges. Om de rentelasten te betalen moesten nieuwe leningen worden aangegaan, wat het probleem van de rentelasten nog bezwaarde. Het leidde tot een rentesneeuwbal. Pas in de jaren negentig werd die gestopt. "De intrestlasten op de staatsschuld namen vooral af door externe omstandigheden, niet zozeer dankzij de inspanningen van de overheid", weet Bart Van Craeynest. "Bovendien werden de rentemeevallers na de eeuwwisseling opgesoupeerd. Dat rentecadeau loopt op zijn einde. De rentelasten bedragen nog 2 procent van het bbp, ze kunnen nog dalen tot 1,5 procent, maar dat is het." Het Monitoringcomité raamt de intrestlasten voor 2020 op goed 8 miljard euro. Dat is 464 miljoen euro minder dan voor 2019 en 17 miljoen euro meer dan in het monitoringverslag van maart staat. Ondanks de toename van het netto te financieren saldo is er dus geen grote stijging van de intrestlasten. Dat kan worden toegeschreven aan de bijzonder lage rentevoeten (0,07% op tien jaar). "Dankzij de lage rente kunnen we een hoger schuldniveau aan. Maar dat is niet de enige factor", nuanceert Herman Matthijs. "De oplopende spaarquote, die al 20 procent bedraagt, speelt ook een rol. Er staat 300 miljard euro op de spaarboekjes. Dat is de beleggers in Belgisch staatspapier niet ontgaan. Ons voordeel in vergelijking met landen als Spanje, Italië en Griekenland is dat we onze begroting en schuld met binnenlandse middelen kunnen financieren." De exponentiële stijging van het aantal tijdelijke werklozen weegt dit jaar op de staatskas. Alleen al het volume-effect kost 3 miljard euro aan de staatskas. De verhoging van de uitkering van 65 naar 70 procent van het loon voor tijdelijke werklozen doet de factuur nog eens stijgen met 1,3 miljard euro. Maar dat is een tijdelijk fenomeen. Het aantal tijdelijke werklozen is gedaald van meer dan 1 miljoen naar minder dan 400.000 werknemers. Maar op langere termijn heeft de coronacrisis wel gevolgen voor de arbeidsmarkt. Volgens de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid daalt de werkzaamheidsgraad van de 20- tot 65-jarigen dit jaar van 70,5 naar 68,5 procent. Het aantal werklozen zou met 140.000 toenemen. Meer werklozen betekenen minder overheidsinkomsten via belastingen en meer uitgaven voor uitkeringen. Toch is de werkzaamheidsgraad vandaag niet te vergelijken met die van de jaren tachtig. "In de eerste helft van de jaren tachtig bedroeg de werkzaamheidsgraad 58 procent. In 1995 was die amper gestegen tot 61 procent. Met 70 procent voor de coronacrisis staan we er nu beter voor", stelt Bart Van Craeynest. "De concurrentiekracht van de ondernemingen is er ook beter aan toe dan dertig jaar geleden. Aan de andere kant is de werkzaamheidsgraad in die periode tamelijk gemakkelijk gestegen. Er kwamen meer vrouwen op de arbeidsmarkt. Het zal niet gemakkelijk zijn opnieuw naar de werkzaamheidsgraad van voor de crisis te gaan of toplanden als Zweden en Nederland bij te benen."De Nationale Bank verwacht voor 2021 en 2022 een reële bbp-groei (boven op de inflatie) van respectievelijk 5,2 en 3,3 procent. Maar net als het gigantische begrotingstekort dit jaar gaat het hier om een momentopname. Het is een compensatie voor de dip van meer dan 10 procent dit jaar. In de jaren voor de coronacrisis mochten we al tevreden zijn met een reële groei boven 1,5 procent. "België heeft een te laag groeipotentieel", zegt Bart Van Craeynest. "Dat is een gevolg van de te lage werkzaamheidsgraad en een vertragende productiviteitsgroei. Ons welvaartsstelsel is gebouwd voor een toenemende bevolking met economische groei, terwijl beide onder druk staan door de vergrijzing." In de jaren zeventig piekte de productiviteitsgroei op 4 procent op jaarbasis, in de jaren negentig was dat nog 2 procent en het voorbije decennium amper 0,5 procent. Groei leidt tot meer overheidsinkomsten en stut de sanering van de overheidsfinanciën. Wim Moesen maakt een vergelijking met meer dan een halve eeuw geleden. "De staatsschuld bedroeg toen 70 procent van het bbp. We hebben toen de overheid niet drooggelegd of een eenmalige vermogensbelasting doorgevoerd. De evolutie was te danken aan de sterke reële groei: 5 procent op jaarbasis gedurende bijna vijftien jaar. Dat was onder meer te danken aan het Verdrag van Rome en de Europese Gemeenschap die met 250 miljoen consumenten als een douane-unie het licht zag. Misschien kan het Europese herstelbeleid en de focus op digitalisering en vergroening de groei aansturen." Een voor de hand liggende manier om de begroting te saneren is een zoektocht naar meer overheidsinkomsten via hogere en nieuwe belastingen. Alleen behoort België al tot de landen met de hoogste fiscale druk in de Europese Unie. Een verhoging is niet vanzelfsprekend. Van Craeynest: "De overheidsinkomsten bedragen al 51,5 procent van het bbp. In 1982, aan de vooravond van de sanering van de jaren tachtig, bedroegen de overheidsontvangsten 45,7 procent van het bbp. In 1993 was dat 46,2 procent. Nu is er veel minder ruimte om extra overheidsinkomsten te genereren. Sommigen pleiten voor een vermogenswinstbelasting. Maar het is een illusie te denken dat die voldoende geld zal opbrengen om de begroting te saneren." Onlangs dook het spoor van een vermogenswinstbelasting op met onder andere een meerwaardebelasting op aandelen. De belastbare basis zou bij zo'n vermogenswinstbelasting worden verbreed, waarbij het tarief voor de roerende voorheffing wordt verlaagd van 30 naar 15 procent en uitzonderingsregimes worden afgeschaft. Maar fiscalisten waarschuwen dat als zo'n fiscale hervorming vooral wordt gebruikt om de begroting te saneren, het tarief voor de roerende voorheffing plots wel stijgt. "In België wordt een fiscale hervorming vaak gekoppeld aan een begrotingsoperatie", zegt Van Craeynest. "Het gevolg is dat ons belastingstelsel een zootje is geworden." De Belgische primaire overheidsuitgaven stijgen dit jaar tot een nooit geziene 58,9 procent van het bbp. In 2021-2022 blijven die op 54 procent van het bbp hangen. Dat is een stuk meer dan de 50,4 procent in 2019. Is besparen op de uitgaven daarom het aangewezen spoor om de begroting gezond te maken? "Het hogere uitgavenniveau zou het in principe gemakkelijker moeten maken te besparen, maar dan moet dat in de sociale uitgaven gebeuren en dat is moeilijk", analyseert Van Craeynest. "Daar komt bij dat veel van de overheidsuitgaven bij de deelstaten zitten, wat een verdeling van de sanering bemoeilijkt. Bovendien zijn de gemakkelijke besparingen al doorgevoerd. De overheidsinvesteringen bedragen bijna de helft van die in de jaren tachtig. De uitgaven voor Defensie zijn gedaald van 3,3 procent van het bbp naar 0,9 procent." Van Craeynest wijst er voorts op dat de vergrijzing de besparingen bemoeilijkt. De jaarlijkse sociale overheidsuitgaven zullen in 2040 5 procent van het bbp hoger liggen dan in 2019. Dat komt overeen met 24 miljard euro. "De beste besparing momenteel is een regering in lopende zaken", zegt Herman Matthijs. "Sinds 2018 is er geen deftige begroting meer opgesteld. Er wordt gewerkt met voorlopige kredieten. Dat werkt besparend, al kan dat niet eeuwig duren." Het minimumpensioen verhogen tot 1500 euro bij een volledige loopbaan, en uitkeringen optrekken tot aan de armoededrempel. Die twee maatregelen lagen op tafel tijdens de pre-formatieonderhandelingen tussen de PS en de N-VA. De kostprijs is 4,4 miljard euro of bijna 1 procent van het bbp. "Een sinterklaaspolitiek is geen optie", waarschuwt Bart Van Craeynest. "Die uitgaven komen boven op het structurele tekort van 5 procent van het bbp. Ik hoor dat men pas na 2022 denkt aan een duurzame sanering van de begroting. Dan zitten we al bijna in de volgende regeerperiode. Het valt nog te zien of die voorstellen een definitief regeerakkoord halen. Welke coalitie er ook komt, haar opdracht zal vooral bestaan uit het beperken van de budgettaire schade."