Volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven ontstaat er opnieuw een Belgische loonkostenhandicap ten opzichte van de buurlanden. 1,2 procent volgens de CRB, de werkgevers hebben het zelfs over 2 procent. Het gaat om een loonkostenhandicap sinds 1996, het jaar dat de eerste wet op de loonnorm van kracht werd die ervoor moet zorgen dat de Belgische loonkosten in lijn blijven met die in Nederland, Duitsland en Frankrijk. De werkgevers wijzen erop dat er nog een historische loonkostenhandicap van voor 1996 moet worden bijgeteld waardoor de Belgische arbeidskosten 12 à 14 procent hoger uitvallen dan in de buurlanden. Dat verzwakt de concurrentiekracht van onze bedrijven, doen ze marktaandeel verliezen en zet de jobcreatie onder druk.

De oorzaak van de hogere Belgische loonkosten is de automatische loonindexering door de hoge inflatie en de sterkere loonkostenstijgingen ten gevolge van de arbeidskrapte. Bovendien veroudert de Belgische arbeidsbevolking. De anciënniteitsverloning maakt dat de lonen daardoor hoger liggen. Ten slotte zijn er na de coronacrisis een aantal verschuivingen geweest tussen sectoren. Werknemers hebben bijvoorbeeld de horeca verlaten voor beter betalende sectoren.

Buurlanden passen lonen later aan

Wel blijkt uit de CRB-cijfers dat de loonkosten in de drie buurlanden tussen 2020 en 2022 wat sterker zouden stijgen dan verwacht (+1,9 procent). Vooral door een sterker dan verwachte stijging van de lonen in Frankrijk waar er een beperkte koopkrachtcompensatie zou optreden via het Franse minimumloon (het SMIC). Maar in Duitsland en Nederland zijn er in 2022 weinig of geen loonaanpassingen te verwachten ter compensatie van de inflatiestijging.

Uiteraard worden de lonen ook in de buurlanden aangepast aan de stijgende levensduurte. Maar dat zal later gebeuren, pas in 2023 en 2024. En die zullen dan minder hoger zijn omdat de inflatie op dat moment zal gedaald zijn.

De wet op de loonnorm is onder de vorige regering strenger geworden en er zijn enkele correctiemechanismen ingevoerd. Als de loonkosten in België sneller stijgen dan verwacht - wat nu het geval is - kunnen veiligheidsmarges in de loonstijgingen worden geactiveerd. Concreet betekent dit dat er bij de volgende loononderhandelingen voor 2023-2024 eind dit jaar geen marge meer is voor reële loonstijgingen boven op de index.

Dat ligt bij de vakbonden zeer gevoelig. Zij willen los uit het carcan van die strenge loonwet. Politieke waarnemers voorspellen zelfs al dat de federale regering in haar voortbestaan wordt bedreigd wanneer ze eind dit jaar de loonnormwet strikt toepast en er dus geen ruimte is voor reële loonstijgingen boven op de index. Vooral het ABVV, met voorzitter Thierry Bodson, zou het dan wel eens zeer hard kunnen spelen en dreigt met acties om de regering onder druk te zetten. Het is geweten dat er een directe lijn is tussen Bodson en federaal minister van Werk Pierre-Yves Dermagne (PS), tot ergernis van de andere sociale partners.

Druk zetten via het parlement

De discussie over het volgende loonakkoord is nog tien maanden verwijderd van vandaag. Dat is een eeuwigheid in de politiek. Maar de stijgende loonkosten nodigen zich vroeger dan verwacht uit aan de federale regeringstafel. De vakbonden lanceren een petitie om loonsverhogingen op de parlementaire agenda te zetten. Het doel is 25.000 handtekeningen te verzamelen. Dan is de federale Kamer verplicht zich over dat verzoekschrift te buigen. Dat zal nog dit voorjaar gebeuren, want de handtekeningen komen vlotjes binnen.

Het is een uitgelezen kans voor een linkse oppositiepartij als de PTB/PVDA om te eisen dat de wet wordt bijgestuurd en minder stringente loononderhandelingen mogelijk worden. Dat kan de federale regering in een moeilijk parket brengen, want de aanpassing van de loonwet staat niet in het regeerakkoord. Wat zal de houding van de groenen en de socialisten zijn wanneer PTB/PVDA-voorzitter Raoul Hedebouw in het parlementair halfrond fulmineert tegen de loonwet? Zeker de PS-politici hebben altijd gezegd af te willen van de in hun ogen te strakke wet.

Volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven ontstaat er opnieuw een Belgische loonkostenhandicap ten opzichte van de buurlanden. 1,2 procent volgens de CRB, de werkgevers hebben het zelfs over 2 procent. Het gaat om een loonkostenhandicap sinds 1996, het jaar dat de eerste wet op de loonnorm van kracht werd die ervoor moet zorgen dat de Belgische loonkosten in lijn blijven met die in Nederland, Duitsland en Frankrijk. De werkgevers wijzen erop dat er nog een historische loonkostenhandicap van voor 1996 moet worden bijgeteld waardoor de Belgische arbeidskosten 12 à 14 procent hoger uitvallen dan in de buurlanden. Dat verzwakt de concurrentiekracht van onze bedrijven, doen ze marktaandeel verliezen en zet de jobcreatie onder druk.De oorzaak van de hogere Belgische loonkosten is de automatische loonindexering door de hoge inflatie en de sterkere loonkostenstijgingen ten gevolge van de arbeidskrapte. Bovendien veroudert de Belgische arbeidsbevolking. De anciënniteitsverloning maakt dat de lonen daardoor hoger liggen. Ten slotte zijn er na de coronacrisis een aantal verschuivingen geweest tussen sectoren. Werknemers hebben bijvoorbeeld de horeca verlaten voor beter betalende sectoren.Wel blijkt uit de CRB-cijfers dat de loonkosten in de drie buurlanden tussen 2020 en 2022 wat sterker zouden stijgen dan verwacht (+1,9 procent). Vooral door een sterker dan verwachte stijging van de lonen in Frankrijk waar er een beperkte koopkrachtcompensatie zou optreden via het Franse minimumloon (het SMIC). Maar in Duitsland en Nederland zijn er in 2022 weinig of geen loonaanpassingen te verwachten ter compensatie van de inflatiestijging.Uiteraard worden de lonen ook in de buurlanden aangepast aan de stijgende levensduurte. Maar dat zal later gebeuren, pas in 2023 en 2024. En die zullen dan minder hoger zijn omdat de inflatie op dat moment zal gedaald zijn.De wet op de loonnorm is onder de vorige regering strenger geworden en er zijn enkele correctiemechanismen ingevoerd. Als de loonkosten in België sneller stijgen dan verwacht - wat nu het geval is - kunnen veiligheidsmarges in de loonstijgingen worden geactiveerd. Concreet betekent dit dat er bij de volgende loononderhandelingen voor 2023-2024 eind dit jaar geen marge meer is voor reële loonstijgingen boven op de index.Dat ligt bij de vakbonden zeer gevoelig. Zij willen los uit het carcan van die strenge loonwet. Politieke waarnemers voorspellen zelfs al dat de federale regering in haar voortbestaan wordt bedreigd wanneer ze eind dit jaar de loonnormwet strikt toepast en er dus geen ruimte is voor reële loonstijgingen boven op de index. Vooral het ABVV, met voorzitter Thierry Bodson, zou het dan wel eens zeer hard kunnen spelen en dreigt met acties om de regering onder druk te zetten. Het is geweten dat er een directe lijn is tussen Bodson en federaal minister van Werk Pierre-Yves Dermagne (PS), tot ergernis van de andere sociale partners.De discussie over het volgende loonakkoord is nog tien maanden verwijderd van vandaag. Dat is een eeuwigheid in de politiek. Maar de stijgende loonkosten nodigen zich vroeger dan verwacht uit aan de federale regeringstafel. De vakbonden lanceren een petitie om loonsverhogingen op de parlementaire agenda te zetten. Het doel is 25.000 handtekeningen te verzamelen. Dan is de federale Kamer verplicht zich over dat verzoekschrift te buigen. Dat zal nog dit voorjaar gebeuren, want de handtekeningen komen vlotjes binnen.Het is een uitgelezen kans voor een linkse oppositiepartij als de PTB/PVDA om te eisen dat de wet wordt bijgestuurd en minder stringente loononderhandelingen mogelijk worden. Dat kan de federale regering in een moeilijk parket brengen, want de aanpassing van de loonwet staat niet in het regeerakkoord. Wat zal de houding van de groenen en de socialisten zijn wanneer PTB/PVDA-voorzitter Raoul Hedebouw in het parlementair halfrond fulmineert tegen de loonwet? Zeker de PS-politici hebben altijd gezegd af te willen van de in hun ogen te strakke wet.