Ondanks de protestacties van de vakbonden tegen een in hun ogen te beperkte reële loonstijging van 0,4 procent voor de komende twee jaar, werd het loonoverleg de voorbije weken niet on hold gezet. De interprofessionele Groep van Tien met de werkgevers en de vakbonden heeft een paar keer samengezeten. De deur naar een loonakkoord was nooit volledig dicht.
...

Ondanks de protestacties van de vakbonden tegen een in hun ogen te beperkte reële loonstijging van 0,4 procent voor de komende twee jaar, werd het loonoverleg de voorbije weken niet on hold gezet. De interprofessionele Groep van Tien met de werkgevers en de vakbonden heeft een paar keer samengezeten. De deur naar een loonakkoord was nooit volledig dicht.De werkgeversorganisaties wilden niet toegeven op de door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) maximale loonmarge van 0,4 procent, omdat de coronacrisis tal van bedrijven in de problemen heeft gebracht. Maar er zou tijdens de gesprekken wel een opening zijn gemaakt richting een oplossing die typisch is voor het Belgische sociaal overlegmodel: waarom buiten de loonnorm geen nieuwe extralegale loonvoordelen toekennen, zoals consumptiecheques of belastingvrije bonussen? Die kosten minder dan een reële loonsverhoging van 0,8 procent die de vakbonden eisen. Naar verluidt zou het ABVV er niet a priori tegen zijn, maar toonde vooral de christelijke vakbond ACV zich hier onbuigzaam: liever brutoloonsverhogingen want die zorgen ook voor extra sociale bijdragen. Van de sociale zekerheid is bekend dat die diep in het rood gaat en elke euro goed kan gebruiken.Uiteindelijk bleven de vakbonden bij de oorspronkelijke eis: de loonnorm moet 'indicatief' zijn, wat wil zeggen dat sectoren die het goed doen een stuk meer dan 0,4 procent loonstijging mogen toekennen. "Dat is het mandaat dat we van de basis gekregen hebben", zegt de vakbondstop. Dat blijft voor de werkgevers onaanvaardbaar. VBO, Unizo en co wijzen erop dat die 0,4 procent boven de 2,8 procent loonstijging via de automatische loonindexering komt. Nu is het aan de federale regering om een loonnorm op te leggen. Al is er in theorie nog tijd tot half maart voor de sociale partners om een vergelijk te vinden.In andere tijden hoefde het voor de federale regering niet altijd een probleem te zijn indien de sociale partners geen akkoord konden bereiken. In tijden van hoogconjunctuur kaatste men vanuit de Wetstraat de bal terug naar de sociale partners, zij het wel na de belofte om zelf het akkoord met geld te smeren. In de praktijk betekende dit hogere sociale uitkeringen voor de vakbonden en loonkostenverlagingen voor de bedrijven.Maar gezien de precaire situatie van de Belgische overheidsfinanciën is dat de voorbije jaren steeds moeilijker geworden. Bij het vorige loonoverleg (voor de jaren 2019-2020) gaf de regering-Michel groen licht aan de sociale partners om via een cijfertruc de door de CRB voorgestelde loonmarge van 0,8 procent op te trekken naar 1,1 procent.Vandaag is de bewegingsruimte van de regering-De Croo beperkter dan ooit. Minister van Werk Pierre-Yves Dermagne (PS) staat voor zijn eerste echte test. Hij kan de vakbonden tegemoet komen door een beroep te doen op een passage uit het regeerakkoord die het mogelijk maakt met rondzendbrieven te morrelen aan de loonwet. Maar Open Vld heeft al gezegd dat daarmee een rode lijn wordt overschreden. Een eerste Vivaldi-crisette dient zich aan. Als Open Vld inbindt dat kan de rechtse Vlaamse oppositie haar duivels ontbinden en de Vlaamse liberalen wegzetten als schoothondjes van de Waalse socialisten.Leunt de beslissing van Dermagne te dicht aan bij het standpunt van de werkgevers, dan dreigt de PS het ABVV tegen zich in het harnas te jagen. En daar zit nog altijd een belangrijk deel van de achterban van de Franstalige socialisten.Het zou niet de eerste keer zijn dat de PS de confrontatie met het ABVV aangaat. In 2012 weigerde premier Elio Di Rupo (PS) de vakbonden te volgen in hun looneisen: er werd een reële loonstop doorgevoerd en enkel de automatische indexering werd toegekend. Het leidde tot stakingen en betogingen tegen een door een socialist geleide regering. Di Rupo kon zich dat toen permitteren, want het electoraal gewicht van de radicaal-linkse oppositie van PTB/PVDA was toen verwaarloosbaar.Anno 2021 leven we in andere tijden. De neocommunisten zijn dé Franstalige oppositiepartij en de PS vreest bij elke beleidsmaatregel die te rechts smaakt een pak kiezers te verliezen aan Raoul Hedebouw en co. Het wetsvoorstel dat ex-FGTB-voorzitter en nu PS-kamerlid Marc Goblet samen met de PTB/PVDA indient om de loonwet te versoepelen, doet de spanningen aan linkerzijde van het politieke spectrum alleen maar toenemen.