Slechts enkele telefoontjes had Harry Markopolos nodig om zijn vermoeden bevestigd te zien dat Bernard Madoff een bedrieger was. Niemand begreep hoe de New Yorkse vermogensbeheerder elk jaar weer een spectaculair rendement haalde, zelfs in jaren dat de beurzen in het rood gingen. Madoff beweerde dat hij zijn geld verdiende door te beleggen in derivaten. Ook Markopolos handelde in derivaten, maar de banken die die producten ontwikkelden, bleken Madoff niet te kennen. Markopolos kon al in 2000 bewijzen dat de ingenieuze beleggingsstrategie van Madoff een lege doos was. Hij kreeg nergens gehoor.
...

Slechts enkele telefoontjes had Harry Markopolos nodig om zijn vermoeden bevestigd te zien dat Bernard Madoff een bedrieger was. Niemand begreep hoe de New Yorkse vermogensbeheerder elk jaar weer een spectaculair rendement haalde, zelfs in jaren dat de beurzen in het rood gingen. Madoff beweerde dat hij zijn geld verdiende door te beleggen in derivaten. Ook Markopolos handelde in derivaten, maar de banken die die producten ontwikkelden, bleken Madoff niet te kennen. Markopolos kon al in 2000 bewijzen dat de ingenieuze beleggingsstrategie van Madoff een lege doos was. Hij kreeg nergens gehoor. Toch hadden nog andere mensen op Wall Street twijfels. Sommige financiële instellingen meden Madoff, er deden geruchten de ronde. Ook de Securities and Exhange Commission (SEC), de Amerikaanse beurswaakhond, had vragen. Een medewerker van die toezichthouder nam genoegen met de uitleg dat Madoff een feilloos buikgevoel had en het perfecte moment kon inschatten om in en uit de markt te stappen. Niemand kwam op het idee dat hij een superoplichter kon zijn. Toen hij zich in 2008 aangaf bij de autoriteiten, bleek dat Madoff de grootste piramidefraude in de geschiedenis had opgezet. Naar schatting 65 miljard dollar was in rook opgegaan. De SEC is niet de enige Amerikaanse overheidsinstelling die zich in de luren laat leggen. In 1987 liep Florentino Aspillaga, een topagent van de Cubaanse geheime dienst, over naar het Westen. Hij bracht aan het licht dat bijna alle agenten van de Amerikaanse inlichtingendienst in Cuba dubbelspionnen waren. De informatie die ze tientallen jaren aan de CIA hadden bezorgd, was zorgvuldig voorgekauwd door het Cubaanse regime. Na die onthulling strooide Cuba nog zout in de wonden door op de plaatselijke televisie een elfdelige documentaire te laten uitzenden, waarin de agenten van de CIA te volgen waren als in een realityshow. De kijkers zagen hoe ze ultrageheime informatie verstopten langs bermen en in autowrakken, of gekleurde hemden gebruikten om boodschappen door te geven. De beelden waren niet opgenomen met een verborgen camera - de kwaliteit was zo goed dat het leek alsof ze in een studio waren gedraaid. De CIA heeft een afdeling contraspionage die dubbelagenten opspoort, maar toch liet de dienst zich jarenlang rollen. Hoe komt het toch dat we het niet zien als een vreemde staalhard tegen ons liegt? En hoe komt het dat we vreemden ook in veel andere situaties zo slecht kunnen inschatten? Die vragen probeert de Canadese journalist Malcolm Gladwell te beantwoorden in zijn nieuwe boek (zie kader Wie is Malcolm Gladwell?). Gladwell wil de lezer tot nederigheid aansporen. "Niemand bezit het vermogen te oordelen over het brein van mensen die we niet kennen", schrijft hij. "We zouden de begrenzingen moeten aanvaarden van ons vermogen om vreemden te ontcijferen." Aan de hand van casestudy's en onderzoeken van sociologen, psychologen en etnologen legt hij uit waarom het contact met anderen vaak fout loopt en geeft hij adviezen om tot een beter begrip te komen. Daarbij schuwt hij controversiële standpunten niet. Zo wijst Gladwell erop dat het perfect normaal is dat beurswaakhonden en inlichtingendiensten geen deugdelijke manier hebben om bedriegers te ontmaskeren. Mensen hebben nu eenmaal de aangeboren neiging andere mensen te vertrouwen. Alles bij elkaar krijgen we weinig te maken met leugenaars en fraudeurs. Dat sommige mensen die we ontmoeten, misbruik maken van ons vertrouwen, is een risico dat we voor lief nemen, want we kunnen onmogelijk nog functioneren als we iedereen in onze omgeving ervan zouden verdenken dat ze ons willen bedotten. Stoten we op een tegenstrijdigheid, dan redeneren we die eerst weg. We gaan ervan uit dat de ander eerlijk is, totdat we zoveel twijfels hebben dat we van dat geloof vallen. Zelfs wie werkt voor de SEC en de CIA ontsnapt daar niet aan. Harry Markopolos had dat vertrouwen niet, zijn standaardinstelling was achterdocht. Hij zag overal bedrog en incompetentie. Hij wantrouwde accountancykantoren, verzekeraars, artsen en zijn uitgever. Door die instelling doorzag hij Bernard Madoff, maar zijn paranoïde gedrag leidde er mee toe dat niemand zijn verdenkingen ernstig nam. Toen Madoff werd gearresteerd, verschanste Markopolos zich met een jachtgeweer en een gasmasker in zijn appartement, omdat hij verwachtte dat de SEC een aanslag op zijn leven zou plegen. Zo zou de toezichthouder onder de mat willen vegen dat hij had gewaarschuwd voor Madoff. Niemand wil Harry Markopolos als baas, stelt Gladwell. Wel wil iedereen werken voor een man als Graham Spanier. Die nam in 2011 ontslag als rector van Penn State University en hij werd veroordeeld omdat hij kinderen in gevaar had gebracht. Tien jaar eerder was Jerry Sandusky, die aan de instelling een programma leidde voor jongeren met problemen, door een medewerker van de universiteit gezien met een jongen onder de douche. Gladwell beschrijft het dilemma van Spanier. Was Sandusky gewoon aan het stoeien met die jongen, zoals hij wel vaker deed met zijn pupillen? Of was het een verkrachting? Spanier bleef geloven dat er niets aan de hand was. De schok was groot toen in 2011 uitkwam dat Sandusky jarenlang tientallen kinderen had misbruikt. Het mag geen misdaad zijn dat iemand niet meteen het ergste in de ander ziet, stelt Gladwell. "Onze neiging om uit te gaan van het beste in anderen heeft bijgedragen aan de opbouw van de moderne samenleving. Het is tragisch als dat vertrouwen wordt beschaamd, maar het alternatief - elkaar niet meer vertrouwen, omdat we ons willen beschermen tegen het bedrog van kwaadwillende mensen - is erger." Harry Markopolos slaagde erin de financieel journalist Michael Ocrant op het spoor van Madoff te zetten. Hij ging de beursmakelaar interviewen. Maar Madoff was zo sereen en ontspannen dat Ocrant nauwelijks kon geloven dat hij met een fraudeur te doen had. "Ik dacht: als Markopolos en zijn team gelijk hebben, is hij ofwel de beste acteur die ik ooit heb gezien, ofwel een rechtgeaarde sociopaat", zei hij achteraf. Ocrant maakte een fout die de meeste mensen maken in hun omgang met anderen: hij dacht dat Madoff transparant was, en dat de manier waarop hij zich voordeed een betrouwbare weerspiegeling was van wat hij vanbinnen voelde en dacht. Maar leugenaars zien er niet noodzakelijk leugenachtig uit. Zelfverzekerde mensen die een stevige hand geven en vriendelijk en innemend zijn, zijn we geneigd geloofwaardig te vinden, ook als ze dat niet zijn. "Transparantie is een mythe, een idee dat we hebben opgedaan omdat we te veel televisie hebben gezien", schrijft Gladwell. Welke impact dat heeft op onze omgang met anderen, blijkt uit een experiment van de Harvard-econoom Sendhil Mullainathan. Hij onderzocht met een algoritme 554.689 dossiers van verdachten die van 2008 tot 2013 in New York voor de rechter verschenen. De rechters lieten 400.000 van hen vrij in afwachting van hun proces. Met zijn programma maakte Mullainathan een eigen lijst van de 400.000 verdachten die hij op vrije voeten zou laten. De rechters bleken ondermaats te presteren: de verdachten op de computerlijst pleegden een kwart minder misdaden toen ze onder borgtocht vrij waren dan de verdachten die de rechters hadden laten gaan. Anders dan de computer hadden de rechters de arrestanten in de rechtszaal gezien en hen ondervraagd. Maar die extra informatie hielp niet om een betere beslissing te nemen - integendeel zelfs: de ontmoeting met de verdachten vertroebelde hun oordeel. Ook als Bernard Madoff onschuldig was, was dat niet noodzakelijk af te leiden uit zijn gedrag. Gladwell vertelt hoe de Amerikaanse Amanda Knox in 2007 werd beschuldigd van de moord op haar huisgenote. De politie had geen enkel fysiek bewijs dat zij de moord had gepleegd, maar Knox maakte zich verdacht doordat ze kil en berekend overkwam en niet aangeslagen leek door de moord. De rechercheur die het onderzoek verrichtte, stelde haar in beschuldiging op grond van haar vreemde reacties tijdens haar verhoor - andere vormen van onderzoek vond hij overbodig. "Amanda Knox was niet consistent. Ze was de onschuldige die zich schuldig gedroeg", benadrukt Gladwell. Knox zat vier jaar in voorhechtenis en werd pas in 2015 definitief vrijgesproken. Moeten we het oordeel over verdachten dan overlaten aan artificiële intelligentie? En moeten bedrijven medewerkers aanwerven zonder dat ze hen hebben ontmoet? Nee, vindt Gladwell, want dan zou de samenleving niet meer functioneren. "Onze strategieën voor de omgang met vreemden hebben grote tekortkomingen, maar zijn sociaal noodzakelijk. We hebben het strafrechtsysteem en sollicitatieprocessen nodig om mensen te zijn. Maar dat brengt mee dat we enorm veel fouten moeten tolereren." Dat is de paradox van de omgang met vreemden: we moeten met hen praten, maar ook beseffen dat we daar ontstellend slecht in zijn.