Het herstelperspectief van deze economie is beperkt. Het businessmodel van verschillende sectoren, denk aan horeca of entertainment, blijft nog lange tijd waardeloos. Andere sectoren hebben geen andere keuze dan af te bouwen, terwijl nog andere nieuwe groeiplannen maken. Er komt een periode aan van snelle creatieve destructie.
...

Het herstelperspectief van deze economie is beperkt. Het businessmodel van verschillende sectoren, denk aan horeca of entertainment, blijft nog lange tijd waardeloos. Andere sectoren hebben geen andere keuze dan af te bouwen, terwijl nog andere nieuwe groeiplannen maken. Er komt een periode aan van snelle creatieve destructie.Landen die zich het vlotst kunnen aanpassen aan de nieuwe realiteit, hebben een strategisch voordeel. België hoort daar helaas niet bij. De transitie naar de anderhalvemetereconomie vraagt flexibiliteit, financiële reserves en sterk leiderschap. De Belgische economie scoort zwak op alle drie die parameters. Onze structuren, vooral in de arbeidsmarkt, zijn te rigide om de economie snel om te bouwen. De overheidsfinanciën zijn te zwak om de transitie voluit te begeleiden. En het politieke leiderschap is te versnipperd en te zwak om de lijnen uit te tekenen. Federaal is dringend een sterke regering met een brede meerderheid nodig.De volgende grote test wordt de bijsturing van de maatregelen, als de acute fase plaats maakt voor de chronische. De kans is groot dat de bestaande maatregelen verlengd moeten worden, zoals het systeem van tijdelijke werkloosheid, of dat andere maatregelen uitgebreid moeten worden, zoals de kredietverlening met staatswaarborg. Die maatregelen verdragen echter bijsturing. In de eerste acute crisisfase is de prioriteit alles en iedereen zoveel mogelijk te beschermen en te verdedigen wat je hebt, kwestie van een voldoende basis te behouden om een minimum aan herstel mogelijk te maken. De economie wordt bevroren om het rottingsproces af te remmen. Maar het vrij royale systeem van tijdelijke werkloosheid, de waterval aan premies en de staatswaarborg aan het bedrijfsleven zetten tegelijk een stolp op de economie en verdoven de noodzaak van een strategische verandering.Deze aanpak is niet vol te houden, want we kunnen niet terugkeren naar wat niet meer is. In een tweede fase moeten er prikkels komen die de mensen en sectoren aanmoedigen om zich aan te passen. Het vangnet dat de overheid gespannen heeft, mag de herbestemming van mensen en kapitaal niet te veel afremmen. Hoe vlotter de middelen van de krimpsectoren - zoals de horeca - naar de groeisectoren - zoals distributie en zorg - kunnen vloeien, hoe krachtiger het herstel wordt. Als de knelpuntberoepen nu niet ingevuld geraken, dan nooit meer. De transitie vraagt ook een herscholing van een enorm groot deel van de beroepsbevolking. Je kunt ruim een miljoen mensen niet blijven betalen om thuis te blijven. Als voor een grote groep tijdelijke werkloosheid versteent tot echte werkloosheid, wordt extra opleiding onontbeerlijk.Ook de steun aan het bedrijfsleven kan geen blanco cheque blijven, zeker als die steun nog moet worden uitgebreid in verschillende sectoren. Kunnen bedrijven die overheidssteun krijgen nog dividenden of bonussen uitdelen? Kun je tegelijk aan het overheidsinfuus hangen en je aandeelhouders vergoeden? De overheid moet ook selectiever worden. De acute liquiditeitscrisis dreigt voor veel bedrijven een nog dodelijkere solvabiliteitscrisis te worden. De overheid kan niet iedereen redden. Het is niet haar taak om de oude economie te verdedigen, wel om te investeren in de nieuwe. Moet de overheid bijvoorbeeld Brussels Airlines redden? En zo ja, onder welke voorwaarden? Een redding is maar fatsoenlijk als de luchtvaartmaatschappij afslankt tot een rendabel bedrijf, en als de overheid geen noodleningen verstrekt, maar instapt in het kapitaal. Dan neemt de belastingbetaler niet alleen het risico, maar kan hij ook delen in het herstelpotentieel. De transitiestrategie wordt nog van veel groter belang dan de exitstrategie.