De goedkoopste energie is degene die je niet verbruikt. Maar mocht energieverspilling een olympische discipline zijn, dan mag België voluit een podiumplaats ambiëren. "België is een energiezeef", zegt Philippe Van Troeye, de CEO van Engie Benelux, bij de lancering van UP, een gecombineerd energie- en dienstenpakket.

De cijfers geven hem gelijk. Liefst 36,9 procent van de huizen in België dateert van voor 1945, leren de cijfers van het statistisch bureau Statbel. In Vlaanderen is 31,1 procent van de gebouwen na 1981 opgetrokken, in Brussel is dat amper 6,5 procent. Ons land lijkt wel Zuid-Europees als het op isolatie aankomt: enkel in Spanje, Italië, Griekenland, Malta en Cyprus zijn de gebouwen slechter geïsoleerd, becijferde het EU Building Stock Observatory in 2014. Maar als het gaat over de hoeveelheid energie die we nodig hebben om onze woningen te verwarmen, dan blijken Belgen een soort minder geslaagde Scandinaven: alleen in Luxemburg, Finland en Letland hebben de inwoners daarvoor nog meer energie nodig.

Er is zoveel groei in de markt, dat er plaats is voor iedereen. De beperking zit eerder in het vinden van de geschikte mensen" - Grégoire Dallemagne (EDF Luminus)

Nochtans krijgt in elk klimaatplan dat de jongste jaren door eender welke overheid is gelanceerd, energie-efficiëntie een belangrijke rol. Het fameuze 20-20-20-plan van de Europese Commissie uit 2008 rekende al op 20 procent minder uitstoot van broeikasgassen en 20 procent hernieuwbare energie, maar ook op 20 procent meer energie-efficiëntie. De verhoogde aandacht voor het klimaat, samen met de gestegen kosten voor energie, maken van energie-efficiëntie een absolute groeimarkt. "Het is de kern van onze strategie geworden", zegt Grégoire Dallemagne, de CEO van EDF Luminus. "We verlagen het energieverbruik van onze klant, en wat die toch nog verbruikt, proberen we zoveel mogelijk CO2-vrij te leveren."

Toch is er nog werk aan de winkel, vindt Natalie Dewulf, business development manager bij de Engie-dochter Cofely. "Eigenlijk wordt er nog te weinig over energie-efficiëntie gesproken. De eerste reflex bij investeringen zou moeten zijn het energieverbruik te beperken, en dan pas naar hernieuwbare energie te kijken. Nu gebeurt het vaak omgekeerd."

Geen nieuwigheid

Energie-efficiëntie is nochtans geen nieuwigheid, weet Stan de Pierpont, de CEO van Cofely. Het bedrijf is het nummer één in België voor onderhoud en beheer van technische installaties, met 2500 mensen op de loonlijst en een omzet van 375 miljoen euro. "Sinds de eerste olieschokken in de jaren zeventig besteden veel gebouwenbeheerders er aandacht aan. Nu heet het energieprestatiecontract, maar het ging in wezen om hetzelfde: wij garandeerden resultaten. Deden we het minder, dan kostte dat ons geld. Deden we het beter, dan verdeelden we de winst. Nadien is energie-efficiëntie iets gedaald op de prioriteitenlijst, maar sinds 2005, met de bewustwording rond het klimaat en de CO2, stijgt de interesse opnieuw."

Soms liggen de milieubesparingen voor het grijpen. Alleen wordt er gewacht op subsidies" - Stan de Pierpont (Cofely)

De klassieke energiebedrijven, zoals Engie en zijn dochters, EDF Luminus of Eneco, zijn niet de enige die deze groeimarkt hebben ontdekt. Ook bedrijven als het engineering- en dienstenbedrijf Veolia Environnement, en diens concullega Cegelec doen mee, net als het Amerikaanse elektronicabedrijf Honeywell. Daarnaast is er nog een rist lokale en nichespelers, zoals het Gentse Wattson, of bouwbedrijven als Van Roey. "Er is zoveel groei in de markt, dat er plaats is voor iedereen", meent Dallemagne. "De beperking zit eerder in het vinden van de geschikte mensen, vooral met een technisch profiel."

Die groeiende en lucratieve markt is grosso modo op te delen in bedrijven, overheden en particulieren.

Overheden

De industrie bespaart al lang zoveel mogelijk op de kostenpost die energie is. Bij de twee andere doelgroepen is vooral de jongste jaren de aandacht opmerkelijk gestegen. Vlaanderen lanceerde in juli 2016 zijn klimaatplan. Het Vlaamse Energiebedrijf zette ook een specifiek actieplan energie-efficiëntie op. Wallonië lanceerde in 2017 een strategie voor energierenovatie van gebouwen, met doelstellingen tegen 2050. Brussel ten slotte test sinds 2006 op vrijwillige basis PLAGE, het Plan voor Lokale Actie voor het Gebruik van Energie. De gebouwenbeheerders die het toepasten, noteerden 15 tot 20 procent minder energieverbruik voor verwarming, een stabilisering van het elektriciteitsverbruik en een investeringsrendement van gemiddeld vijf jaar. Daarom verplicht Brussel het vanaf 1 juli voor alle grote gebouwen.

Ook de gemeenten zitten niet stil. Zowat vier op de vijf Vlaamse gemeenten hebben het Burgemeestersconvenant ondertekend, waarmee ze zich engageren voor CO2-emissiereductiedoelstellingen. Ook het aantal energieprestatiecontracten (EPC), waarmee de lokale overheden concrete inspanningen doen om hun energieverbruik te doen dalen, neemt hand over hand toe.

Daarvoor roepen overheden en andere instellingen meestal de hulp in van een esco: een energy service company, een vennootschap die de nodige installaties bouwt en onderhoudt, en de langetermijnfinanciering regelt. Volgens gegevens van Belesco, de Belgische vereniging van esco's, is het aantal EPC-contracten fors gestegen: van 3 in 2014 naar 28 vorig jaar. Daarmee werden zowat 300 gebouwen onder handen genomen.

Het concept van een EPC is dat het bedrag dat de klant uitspaart over de duurtijd van het contract, wordt geïnvesteerd in de vernieuwing van zijn installaties: efficiënter maken van de verwarmingsketels, isoleren, ramen vervangen, verlichting aanpassen, duurzame energie, enzovoort. Dewulf: "Dat kan gebouw per gebouw, maar bij steden en gemeentes wordt het vaak gegroepeerd. Daardoor kunnen we er een positieve businesscase van maken. Anders lukt dat moeilijker: ramen bijvoorbeeld hebben een terugverdientijd van 25 of 30 jaar."

Voor grotere projecten wordt graag een DBFMO-model gehanteerd, waarbij één partij instaat voor zowel ontwerp, bouw, financiering, onderhoud en beheer. "Zeker voor nieuwbouw of grondige renovaties kan dat een oplossing zijn", zegt Natalie Dewulf, business development manager bij Cofely. "Doordat er met langetermijncontracten wordt gewerkt, kan er meer worden gedaan aan de bouwschil."

Particuliere markt

"Als er al verschillen zijn op die markt, heeft het eerder te maken met de grootte van de klant. Voor bedrijven is financiering meestal niet het grootste probleem", vindt Dallemagne. "Bij particulieren gaat het soms om ingrijpende renovaties. Dan moet je al extreem kunnen besparen om dat te kunnen terugverdienen."

De hoge kosten zijn ook de voornaamste reden waarom ze de energie-efficiëntie niet hebben aangepakt, blijkt uit een enquête bij 1000 Belgen door het onderzoeksbureau Ivox in opdracht van Engie. Dewulf ziet een oplossing in zogenoemde local energy communities. Daarbij wordt al de energie die door een gemeenschap of een groepering wordt opgewekt, ter plaatse gestockeerd en verdeeld. "Alleen is het wetgevende kader nog niet klaar."

"Misschien moet de volgende regering wel focussen op maatregelen die de grootste energie-efficiëntie opleveren", vindt Dallemagne. "De privésector kan een deel van het werk doen, maar als je die inspanningen wil intensifiëren, dan moet je als overheid een plan hebben, en daar wellicht ook middelen aan koppelen."

Daar sluit De Pierpont zich bij aan. "De politiek zou concrete, ambitieuze langetermijndoelen moeten opleggen, en die vertalen naar industrie, ziekenhuizen, scholen, steden en gemeentes en de particuliere markt. Anders zullen sommige sectoren zich niet aangesproken voelen. Soms liggen de besparingen voor het grijpen, alleen wordt er gewacht op subsidies. Renteloze leningen zouden bijvoorbeeld een goede oplossing zijn. De noodzaak om iets te doen aan onze emissies is er. Maar als de overheid die niet stimuleert, zal het ook niet vooruitgaan."