Op 11 november wordt de honderdste verjaardag van de wapenstilstand in 1918 overal met luister herdacht. Op beeldmateriaal uit die dagen zijn steevast juichende menigtes te zien, onder meer in de provinciehoofdsteden die de koninklijke familie op weg naar Brussel aandeed. Maar behalve dat de wapens in de herfst van 1918 na meer dan vier jaar zwegen, was er weinig te vieren. België zat financieel en economisch aan de grond. Er waren nog amper 3000 bedrijven aan de slag, een aantal dat in het niets verdwijnt tegen de 260.000 kleine en grote ondernemingen die voor de oorlog actief waren. Dat kwam doordat de Duitse bezetter de Belgische industrie meer en meer had ingezet voor de eigen oorlogsinspanning. Door het tekort aan grondstoffen in Duitsland werd de Belgische economie leeggezogen.
...

Op 11 november wordt de honderdste verjaardag van de wapenstilstand in 1918 overal met luister herdacht. Op beeldmateriaal uit die dagen zijn steevast juichende menigtes te zien, onder meer in de provinciehoofdsteden die de koninklijke familie op weg naar Brussel aandeed. Maar behalve dat de wapens in de herfst van 1918 na meer dan vier jaar zwegen, was er weinig te vieren. België zat financieel en economisch aan de grond. Er waren nog amper 3000 bedrijven aan de slag, een aantal dat in het niets verdwijnt tegen de 260.000 kleine en grote ondernemingen die voor de oorlog actief waren. Dat kwam doordat de Duitse bezetter de Belgische industrie meer en meer had ingezet voor de eigen oorlogsinspanning. Door het tekort aan grondstoffen in Duitsland werd de Belgische economie leeggezogen. Talloze bedrijfsinstallaties werden ontmanteld of vernietigd. In zijn boek Een dure vrede legt Mark De Geest haarfijn uit hoe dat in zijn werk ging. Hij zet de situatie in België tijdens en na de Eerste Wereldoorlog af tegen de toestand voor de Duitse inval op 4 augustus 1914. We kunnen het ons nog amper voorstellen, maar voor de Eerste Wereldoorlog was België de op vijf na grootste industriële macht van Europa. Ondanks zijn kleine oppervlakte en zijn beperkte bevolking bedroeg het bruto binnenlands product 11 miljard frank, waarmee België in absolute cijfers de zesde economie ter wereld was, na Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje. "Overal ter wereld legden Belgische firma's spoorwegen aan en reden Belgische treinen en trams, tot in China toe", vertelt De Geest. "Belgische bedrijven bouwden de Parijse metro en legden de Oriënt Express aan. De beurs van Brussel was een van de belangrijkste tien beurzen ter wereld. De cijfers uit de periode voor 1914 zijn indrukwekkend: dit kleine land was goed voor 3,5 procent van de wereldwijde beurshandel, terwijl de Amerikaanse bedrijven 15 procent van de wereldhandel vertegenwoordigden. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog veranderde alles. De handel viel stil. Dat was een ramp voor de open Belgische economie." Tot 1914 voerde België massaal machines, staal, textiel, glas en chemische producten uit. Dat was alleen mogelijk door de invoer van grondstoffen. Ook steenkool moest worden ingevoerd, want de eigen productie volstond niet om de industrie op volle toeren te doen draaien. België was met een import van 5 miljard frank aan goederen een enorm belangrijk invoerland, maar de export bedroeg 3,7 miljard frank en de transit 2,5 miljard frank. De positieve handelsbalans werd ondersteund door de belangen die Belgische ondernemingen hadden in de buitenlandse metaalindustrie en spoorwegbedrijven in Rusland, Azië en Zuid-Amerika. Zo was België in 1900 de belangrijkste buitenlandse investeerder in Rusland. De Britten legden tijdens de Eerste Wereldoorlog een zeeblokkade om de bevoorrading van Duitsland onmogelijk te maken. De Duitsers verboden vier jaar lang alle export. "Dat was de eerste zware slag voor de Belgische economie", zegt De Geest. "Een voorbeeld: de textielindustrie, die goed was voor 10 procent van de werkgelegenheid, viel zo goed al stil. De omzet daalde met 75 procent. Tijdens de oorlog werden de buitenlandse afzetmarkten van Belgische bedrijven overgenomen door Europese grootmachten en de Verenigde Staten." Het opdrogen van de internationale handel was nog maar een begin. 90 procent van het Belgische grondgebied was bezet en de economie stond al snel ten dienste van de bezetter én de Duitse economie. Aanvankelijk pleitte de Duitse gouverneur-generaal Moritz von Bissing voor een constructieve samenwerking tussen de Belgische en de Duitse industrie. Zo probeerde hij de massale inbeslagnames van grondstoffen en machines te beperken. Een uitgeknepen citroen is niets waard, een dode koe geeft geen melk, vond hij. De Geest: "Hij vreesde ook sociale onrust. Maar Von Bissing stond onder zware druk. De legerleiding wilde dat de Belgische industrie maximaal werd ingezet voor de oorlogsinspanning en dat de Belgische industrie ondergeschikt moest worden gemaakt aan de Duitse." Kort na het begin van de oorlog was dat nog niet het geval. De steenkoolmijnen hadden tijdens de invasie amper schade opgelopen en ondersteunden de lokale economie nog. In 1915 werd maandelijks 700.000 ton steenkool geleverd aan de Belgische bevolking en 150.000 aan het Duitse leger. 100.000 tot 200.000 ton was bestemd voor de export naar Duitsland of een neutraal land. De Geest: "Dat lijkt veel, maar de productie was toen al gehalveerd. De duimschroeven werden na verloop van tijd aangedraaid. Bedrijven werden onder sekwester geplaatst en kwamen eigenlijk onder Duits toezicht. Eind 1915 waren 362 ondernemingen onder Duits curatele. Eind 1917 waren dat er bijna 500. Buitenlandse firma's - Britse en Franse - werden onteigend. Eind 1914 was de levensstandaard van de Belgische bevolking met bijna 40 procent gezakt, aan het einde van de oorlog met meer dan 60 procent." De Geest ziet het najaar van 1916 als een keerpunt. Na de catastrofale slag bij Verdun werden de generaals Paul von Hindenburg en Erich Ludendorff de feitelijke machthebbers in Duitsland. Ze waren van oordeel dat de Belgische economie volledig ten dienste van de Duitse oorlogseconomie moest staan. "Alle grondstoffen, ruwe grondstoffen tot afgewerkte producten, stonden vanaf toen ten dienste van het Duitse leger", vertelt De Geest. "De bedrijfsateliers werden stelselmatig ontmanteld. Aanvankelijk werden machines weggehaald en naar Duitsland gevoerd of in een andere onderneming opgesteld. Vanaf 1917 werden volledige bedrijven gesloopt en werd het machinepark tot schroot herleid. Door de Britse blokkade was in Duitsland een enorm tekort aan grondstoffen. België had aan het begin van de oorlog internationaal een sterke reputatie omdat het zich als neutraal land had verzet tegen de Duitse inval. Er werd gesproken van Brave Little Belgium. Maar een paar jaar later was dat Poor Little Belgium geworden." Vooral de metaalindustrie had zwaar te lijden. België had meer dan 500 staalfabrieken, waar 30.000 arbeiders werkten en jaarlijks 2 miljoen ton werd geproduceerd. Die fabrieken werden ingepalmd. Van de 57 hoogovens werden er 26 vernield, 20 ontmanteld en bleven er 11 over. 70 cementgroeven werden gesloten, want ze waren een concurrent voor Duitsland. 95 procent van de Belgische locomotieven werd naar Duitsland afgevoerd. Van de 4000 van voor de oorlog bleven er 181 intact. Van de 4700 kilometer spoorlijn werd 1100 kilometer gedemonteerd en als schroot naar Duitsland gestuurd. De Geest: "Dat duurde tot na de wapenstilstand. Op 12 november 1918 werd een partij machines door de Duitsers in Tielt weggehaald, om ze naar Nederland te brengen en daar te verkopen. Het was te laat om ze nog per trein naar Duitsland te vervoeren." Eind 1918 was de Belgische industrie voor 90 procent ontmanteld. De Geest: "In het Rijksarchief vind je foto's van lege ateliers. Er was niets. Het materiaal dat werd weggehaald, was state of the art." België hoopte dat het met het vredesverdrag van Versailles werd gecompenseerd voor het verlies, maar dat viel tegen. De grootmachten bedisselden een akkoord, waar België karig bedeeld uitkwam. Van de verhoopte uitbreiding van het territorium met delen van Zeeuws-Vlaanderen en Nederlands-Limburg kwam niets in huis. België kreeg alleen wat Duits grondgebied rond Eupen-Malmédy. De zo verhoopte Duitse herstelbetalingen kwamen maar mondjesmaat binnen. België had aanvankelijk recht op 8 procent van de 269 miljard goudmark aan herstelbetalingen, maar die werden al snel teruggebracht tot 50 miljard. Duitsland mocht de betaling spreiden over 42 jaar. "De Duitsers bleven maar aarzelen met de eerste aflossingen", zegt De Geest. "De Belgische economie verkeerde na de oorlog in zwaar weer en had geld nodig, dat niet kwam. In 1919 bedroegen de overheidsinkomsten 1,2 miljard frank en de uitgaven 7 miljard frank. De werkloosheid bedroeg een gigantische 70 procent." "Er waren gigantische kosten voor de wederopbouw. Maar de schatkist verloor geld aan de voedselvoorraden. Die had de overheid in het buitenland opgekocht en werden tegen een lagere prijs aan de bevolking verkocht. De handelsbalans ging met 3,7 miljard frank in het rood. De Belgische frank bleef wankel. Het tekort op de betalingsbalans en de hoge leninglasten drukten de frank, en joegen de inflatie aan." Begin 1919 was een pond 28 frank waard, een jaar later 40 frank. De beurs viel in 1920 terug op het niveau van 1913. Toch leek België in 1924 de gevolgen van de oorlog verwerkt te hebben. Het begrotingstekort was gedaald naar 114 miljoen frank. In 1925 boekte het land zelfs een begrotingsoverschot van 168 miljoen frank. De Geest: "Maar de kosten voor de wederopbouw werden niet in de begroting verrekend. De regering ging ervan uit dat Duitsland die kosten wel zou terugbetalen, maar dat gebeurde niet. De schuld piekte richting 26 miljard frank. Er kwam wel een Duitse betaling van 2 miljard goudmark, zij het pas in 1925. Ondertussen eisten de Amerikanen de terugbetalingen van Belgische oorlogsleningen. Tegelijk had België voor miljarden kortlopende leningen van drie tot zes maanden afgesloten. Dat alles zet de Belgische frank onder druk." In 1926 volgde een devaluatie van maar liefst 85 procent tegenover de belangrijkste munten zoals het pond en de Franse frank. "Dat was nooit vertoond, maar het resultaat bleef niet uit", zegt De Geest. "De concurrentiepositie herstelde. In de eerste helft van 1927 steeg de Belgische industriële productie met een kwart. Midden jaren twintig was het welvaartsniveau van voor de oorlog hersteld. Maar er waren tien jaar verloren. Technologische evolutie en economische expansie waren jarenlang onmogelijk geweest. België was geen economische grootmacht meer."