Midden oktober, tijdens het debat over de federale regeerverklaring, kwam het tot een aanvaring tussen premier Charles Michel (MR) en de neo-communist Raoul Hedebouw (PVDA).
...

Midden oktober, tijdens het debat over de federale regeerverklaring, kwam het tot een aanvaring tussen premier Charles Michel (MR) en de neo-communist Raoul Hedebouw (PVDA). Hedebouw stelde dat de banen die onder deze federale regering gecreëerd zijn, vooral precaire banen zijn. Het antwoord van de premier: "In uw systeem zijn er geen precaire jobs. In uw systeem zijn er totaal geen jobs. De geschiedenis heeft het aangetoond." Charles Michel kent zijn geschiedenis. Sinds de Oktoberrevolutie die de bolsjewieken van Vladimir Lenin exact 100 jaar geleden aan de macht bracht in Rusland, zijn verschillende pogingen ondernomen om een 'communistisch arbeidersparadijs' te vestigen. Een centraal gestuurde economie, de nationalisering van de ondernemingen, de afschaffing van privé-eigendom moesten voor absolute gelijkheid zorgen. De planeconomie zou leiden tot een versnelde industrialisering en de welvaart eerlijk verdelen. De grote ongelijkheid in (privé)bezit tussen de arbeiders en de bourgeoisie (bezittende klasse, burgerij) zou worden bestreden, zo was het credo van ideoloog Karl Marx. Die theorie is in verschillende landen in de praktijk omgezet, tot op de dag van vandaag. Maar al die economische experimenten draaiden op een mislukking uit, zo blijkt uit vijf voorbeelden. De machtsgreep van de bolsjewieken in Rusland tijdens de Oktoberrevolutie van 1917 bracht geen politieke of economische stabiliteit. Lenin en zijn entourage vormden een minderheid in een groep revolutionaire stromingen. Ze waren aan de macht gekomen door intimidatie en geweld, maar hun positie kwam constant onder druk van aanhangers van de ondertussen gedode tsaar en democratische socialisten. Rusland zakte weg in een burgeroorlog. Lenin installeerde een zogenaamd oorlogscommunisme. De nationalisering van de productiemiddelen - het sluitstuk van de communistische economie - werd gezien als een onderdeel van de strijd. Onder andere de landbouwgronden werden genationaliseerd. Al snel kwam het erop neer dat de bolsjewieken de oogsten aansloegen om de hongerige bevolking te voeden in de steden, waar de smalle machtsbasis van de communisten zich bevond. Door bijna vier jaar oorlog heerste daar totale chaos. Geld werd afgeschaft en handel verboden. De communistische economie, integraal gecontroleerd door de staat, was een feit. De economische activiteit stortte ineen en doordat de bolsjewieken de opbrengsten van de oogst confisqueerden, ontstond al snel hongersnood op het platteland. Er vielen miljoenen doden. Bij een steeds grotere groep bolsjewieken groeide het ongenoegen. Lenin besliste het geweer van schouder te veranderen. In maart 1921 gaf hij zijn fout toe: "We zijn te ver gegaan in de nationalisering. Is er een mogelijkheid onder andere de vrijheid van handel opnieuw in te voeren? Ja, zonder daarom een einde te maken aan de dictatuur van het proletariaat." Lenin lanceerde de Nieuwe Economische Politiek (NEP). De staat behield de controle over de productiemiddelen en bleef eigenaar van de banken en van de grote industriebedrijven. Maar voor werknemers in die bedrijven werden loonverschillen ingevoerd op basis van prestatie. Bedrijven met minder dan twintig werknemers werden weer geprivatiseerd. De bolsjewieken deden zelfs een beroep op de gehate westerse kapitalisten om te investeren in die geprivatiseerde bedrijven. Vooral Amerikanen pompten geld in de Sovjeteconomie. Er kwam een einde aan de inbeslagname van de graanopbrengsten. Er werd een nieuwe belasting ingevoerd, die jaarlijks zou worden aangepast en de boeren toeliet de extra productie te houden. De NEP redde het regime van Lenin. Bovendien investeerden westerse landen in de Sovjet-Unie om de infrastructuur te herstellen. In 1926 bereikte de industriële productie weer het niveau van voor de Eerste Wereldoorlog. Was Lenin dan de good guy van de communistische revolutie? De Franse historicus Stéphane Courtois, ex-communist en auteur van het in 1998 verschenen standaardwerk Het Zwartboek van het Communisme relativeert dat. "De belastingen voor de boeren waren nog altijd extreem hoog. Wie weigerde ze te betalen, speelde met zijn leven. De economie werd in 1921 wat geliberaliseerd, maar de Sovjet-Unie bleef een communistische dictatuur. Tegenstanders van Lenin werden zonder pardon geëxecuteerd. Dat wordt vaak vergeten omdat iedereen focust op de massamoorden onder Jozef Stalin." Een aantal communisten, onder wie Jozef Stalin, vreesde dat door het beleid van Lenin een nieuwe bourgeoisklasse zou ontstaan en gooiden het roer om. Op 1 oktober 1928 lanceerde Stalin zijn eerste vijfjarenplan (1928-1933). Alles wat ook maar een beetje op kapitalisme en vrijemarkteconomie leek, werd afgeschaft. De kleine bedrijven werden opnieuw genationaliseerd, net als de volledige landbouwsector. Volgens Stalin zouden de door de staat aangestuurde landbouwcoöperaties voor een nooit geziene graanproductie zorgen. Een deel van de oogst zou worden geëxporteerd naar het buitenland in ruil voor harde valuta. Een ander deel zou de steden voeden, waar de economie volledig was afgestemd op zware industrie. Dat was de theorie. In de praktijk daalde de productie, zowel in de industrie als in de landbouw. In Oekraïne werkten de boeren (de koelakken) de collectivisering tegen. Maar het probleem was vooral dat communistische ambtenaren de boeren buitensporige productiequota oplegden. Haalden ze die niet, dan verhoogde de centrale overheid het aandeel van de oogst dat moest worden geleverd, van 30 naar 44 procent. Als de boeren weigerden dat graan te leveren, werd het in beslag genomen. Ook het zaaigoed werd aangeslagen, waardoor ze het jaar erop niet meer konden zaaien. Het gevolg was opnieuw hongersnood op het platteland. Tussen 1931 en 1933 stierven tussen 5 en 6 miljoen Oekraïners de hongerdood. Tegelijk werd in de periode 1932-1933 een recordhoeveelheid graan (bijna 3,4 miljoen ton) geëxporteerd naar het Westen. Die periode staat bekend als Holodomor: 'holod' betekent honger, 'domor' staat voor doden of uitroeien. "Wat toen gebeurde, was meer dan een dramatisch gevolg van een inefficiënte planeconomie", stelt Stéphane Courtois vast. "Het was een doelbewuste genocide door Stalin. Hij wou de ruggengraat van het Oekraïense nationalisme breken. Ook andere communistische leiders hebben boter op het hoofd. De later in het Westen als sympathiek beschouwde Sovjetleider Nikita Chroesjtsjov was ervan op de hoogte en dus medeverantwoordelijk. Het kwam hem goed uit dat hij alle schuld op de intussen overleden dictator kon schuiven, toen hij in 1956 afstand nam van het stalinisme." Bij een bezoek aan Moskou in oktober 1957 was de Chinese leider Mao Tse Tung onder de indruk geraakt van een prestatie van de Sovjet-Unie. Het land had als eerste een ruimteschip in een baan om de aarde gebracht. De Chinese leider wou niet onderdoen. Mao wou van China, toen nog grotendeels een landbouweconomie, een industriële grootmacht maken. Hij stelde duidelijke doelen. De Chinese staalproductie moest na vijftien jaar boven die van Groot-Brittannië uitstijgen. China moest de grootste textielexporteur ter wereld worden. Dat werd in de klassieke communistische traditie centraal gepland. Alle aandacht ging naar de collectivisering van de landbouw. Die moest ook hier de stedelijke industriearbeiders voeden en overschotten produceren voor de export. Traditionele landbouwmethodes moesten wijken voor praktijken die regelrecht tegen het gezond boerenverstand ingingen. Gronden werden dicht op elkaar beplant om tot grotere oogsten te komen, maar dat had een averechts effect. Communistische ambtenaren gaven het bevel de mussen te doden omdat ze de zaden van het land pikten. Het gevolg was een insectenplaag die nog veel schadelijker was. Lokale mandatarissen kregen onrealistische productiequota opgelegd. Toen het tijd was om de graanopbrengst te communiceren aan de centrale overheid, gaven ze uit angst voor represailles dermate opgesmukte cijfers op dat ze na de opvordering van de staat niets meer overhielden.Draaide de landbouwsector vierkant, dan was dat in de industrie niet anders. Toen het opdrijven van de staalproductie niet wilde lukken, kregen de boeren het bevel in kleine ovens in hun achtertuin ijzer te smelten, inclusief tuingereedschap en bestek. Dat ijzer bleek van slechte kwaliteit en onbruikbaar voor staalfabrieken. Maar Mao hield de schijn op. China bleef graan, staal en textiel exporteren. Zo gooide het land in 1958 liefst 14 miljoen rollen stof tegen dumpingprijzen op de internationale markten, terwijl er voor de Chinezen op het platteland geen jassen meer waren. Volgens de Britse onderzoeker Frank Dikötter kwamen door De Grote Spong Voorwaarts minstens 45 miljoen Chinezen om, veelal door een gebrek aan voedsel. Het land ging door de grootste hongersnood in de geschiedenis. Bovendien werden 3 miljoen Chinezen geëxecuteerd. Op het stelen van een appel of het opgraven van graankorrels of plantaardappelen om ze op te eten, stond de doodstraf.Het drama is grotendeels uit de Chinese geschiedenis gewist. Net als de kopstukken van de Communistische Partij die kritiek hadden op dat desastreuze economische beleid. Om die critici de mond te snoeren, ontketende Mao in 1966 de Culturele Revolutie. Een deel van de top van de partij werd weggezuiverd. Een kopstuk van de partij, Deng Xiaopeng, had zich afzijdig gehouden. Hij zou na het Mao-tijdperk de eerste stappen ondernemen in de richting van het Chinese staatskapitalisme zoals we dat nu kennen. Bij een bezoek aan de Verenigde Staten in 1979 zat hij tijdens een banket naast de actrice Shirley MacLaine. Zij vertelde hem over haar bezoek aan China en over de ontmoeting met een leraar die op het platteland moest werken en vol lof was over het beleid van Mao. Deng antwoordde droogjes: "Die leraar is een leugenaar." Toen Erich Honecker in 1971 de macht overnam van Walter Ulbricht, stelde hij dat de geloofwaardigheid van Oost-Duitsland in grote mate afhing van de toestand van de economie. Honecker sloeg een nieuwe weg in: consumptie moest de motor worden van de economie. De redenering was dat een zeker welvaartsniveau de sociale rust zou bewaren. Om dat doel te bereiken, stegen de lonen in de periode 1971-1975 met 20 procent. Ook de pensioenen gingen omhoog. De prijzen in de winkel werden geblokkeerd, ongeacht de stijging van de reële kosten. Zo kostte een liter melk 68 pfennig, terwijl de kostprijs voor de staat 1,70 mark bedroeg. Het verschil werd bijgelegd via subsidies. Om dat alles te financieren, moest de Oost-Duitse regering massaal geld lenen in West-Duitsland, waarmee de relaties ondertussen waren verbeterd. Het probleem was dat er wel vraag naar consumptiegoederen was, maar geen aanbod. Al decennia heerste schaarste in de DDR. Om nog maar van de leveringstijden te zwijgen. Die van een auto bedroeg twaalf jaar. Dat verbeterde er begin de jaren zeventig niet op. Honecker hoopte de productie van consumptiegoederen te verbeteren via meer planning en meer centralisatie. Het productieproces werd ondergebracht in één zogenoemde Kombinat. Op die manier verdwenen de laatste privébedrijven en dus de enige echte productiebedrijven. Die 11.500 kleine bedrijven produceerden nochtans 40 procent van de consumptiegoederen. De situatie verslechterde omdat de DDR-regering niet meer investeerde in het productie-apparaat en al het geld naar de ondersteuning van de consumptie ging. Terwijl de Oost-Duitse consumptie-economie maar niet van de grond raakte, liepen de schulden verder op. Begin jaren tachtig dreigde een betalingscrisis. De reddende engel werd zowaar de Beierse CSU-leider Franz-Josef Strauss. Hij stond in 1983 een krediet van een miljard DM toe. Dat geld hield de DDR-economie nog even recht. Maar ondertussen was duidelijk geworden dat een combinatie van het opbouwen van een planeconomie en een hoog consumptieniveau niet mogelijk was. De val van de Berlijnse Muur in 1989 betekende niet het einde van de communistische economische experimenten. Het laatste stalinistische land, Noord-Korea, overleeft in belangrijke mate dankzij de export van grondstoffen naar China. In Venezuela voerde president Hugo Chávez (1999-2013) een soort van neo-communistisch economisch beleid, dat zijn opvolger, Nicolas Maduro, voortzet. Met rampzalige gevolgen. Twintig jaar geleden was Venezuela een van de rijkste landen van Latijns-Amerika. De voorbije twee jaar kromp de economie met 20 procent. De inflatie piekt er richting 1000 procent. President Maduro stelde daarom vorige week nog een biljet van 100.000 bolivar voor. En donderdag maakte Maduro bekend dat het land met zijn schuldeisers gaat onderhandelen over een herschikking van zijn schulden. Nochtans beschikt Venezuela over de grootste oliereserves ter wereld. Wat liep er mis? Zeer eenvoudig: de invoering van een soft-communisme. Soft in vergelijking met wat Stalin en Mao geprobeerd hebben, maar nog altijd met dramatische economische gevolgen. President Hugo Chávez wou Venezuela ombouwen tot een socialistische samenleving naar Cubaans model. Bedrijven werden genationaliseerd, multinationals die werknemers ontsloegen kregen zware boetes en de landbouwsector kwam onder overheidscontrole te staan. De overheid werd tegelijk producent en verdeler van voedsel. Maar bureaucratie en onkunde lieten het productieproces in elkaar storten. Dat probleem werd opgevangen met geld van de olie-export. Dat werd gebruikt voor massale voedselimport. Toen de olieprijzen begonnen te dalen, was er niet genoeg geld meer om voedsel in te voeren. Dat probleem probeerde de overheid te counteren door de voedseldistributie te monopoliseren. Er kwamen prijscontroles, die de economie ontwrichtten. Er is ook een groot tekort aan medicijnen. Veel Venezolanen staan dagelijks in de rij voor basisbenodigdheden, waaronder voedsel. Het voorbije jaar is het gemiddelde gewicht van de Venezolaan met 9 kilo gedaald. Volgens het IMF is het nationaal inkomen sinds 2013 met 35 procent gedaald. Dat is meer dan in de Verenigde Staten tijdens de Grote Depressie van 1929-1933.