In het jaarrapport van de Nationale Bank over de Belgische economie worden de regering-Michel en de regionale regeringen herhaaldelijk subtiel maar duidelijk op hun verantwoordelijkheid gewezen. Tien feiten die onze ministers niet graag zullen lezen.
...

In het jaarrapport van de Nationale Bank over de Belgische economie worden de regering-Michel en de regionale regeringen herhaaldelijk subtiel maar duidelijk op hun verantwoordelijkheid gewezen. Tien feiten die onze ministers niet graag zullen lezen.Het rapport van de Nationale Bank laat er geen misverstand over bestaan: 'Ondanks de noodzaak om vooruitgang te boeken in de gezondmaking van de Belgische overheidsfinanciën, is de toestand ervan in 2016 verslechterd'. Deze vaststelling is niet nieuw maar blijft pijnlijk voor een regering die net van die gezondmaking van de overheidsfinanciën een hoofddoel had gemaakt.De Nationale Bank geeft de recente cijfers: het begrotingstekort liep op van 2,5 procent in 2015 naar 2,8 procent vorig jaar. Ze geeft toe dat er uitzonderlijke financiële inspanningen moesten worden geleverd voor terrorismebestrijding en de opvang van asielzoekers, maar die waren samen goed voor 0,2 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Dat maakt duidelijk dat ook zonder die extra uitgaven er nog steeds een stijging van het begrotingstekort geweest zou zijn.De Nationale Bank stipt aan dat de belastingontvangsten daalden als gevolg van de taxshift: de lastenverlaging op arbeid werd slechts gedeeltelijk gecompenseerd door een verhoging van andere belastingen. Wat veel economen al langer zagen aankomen wordt daarmee bevestigd: de taxshift was 'budgettair niet neutraal'. De Nationale Bank waarschuwde daar vorig jaar al voor in haar rapport en wees ook toen al op de negatieve gevolgen die dat zou hebben voor de overheidsfinanciën. Gevolgen die we ons niet konden veroorloven, zo maakte ze toen duidelijk. Toch gebeurde het. De schuldgraad steeg dan ook van 105,8 procent in 2015 naar 106,6 procent vorig jaar. 'De opwaartse tendens van de schuldgraad is nog niet omgebogen', staat in het rapport. Om op middellange termijn een structureel begrotingsevenwicht te halen, zoals Europa dat wenst en waartoe we ons ook hebben verbonden, 'moet België een grotere inspanning leveren dan alle andere landen van het eurogebied, met uitzondering van Spanje', aldus de Nationale Bank. Dat belooft. Op dit alles kan een 'herstelregering', zoals premier Charles Michel (MR) en zijn ploeg zichzelf presenteerde, niet fier zijn.Natuurlijk is het belangrijk dat de fiscale hervormingen, zoals de taxshift, ons geen geld kosten, aldus de Nationale Bank. In haar jargon heet het dat 'het geheel aan hervormingen aan de ontvangstenzijde begrotingsneutraal hoort te zijn'. Maar in het rapport staat dat de gezondmaking van onze overheidsfinanciën 'in de eerste plaats gesteund moet zijn op een weloverwogen beheersing van de uitgaven'. Dat is dus alles behalve een pleidooi voor meer belastingen, wél voor minder uitgaven.Natuurlijk waren er vorig jaar de uitgaven voor veiligheid en terrorismebestrijding en de opvang van asielzoekers. Zij worden door de Nationale Bank omschreven als 'uitzonderlijk'. Hoe uitzonderlijk deze waren valt nog af te wachten. Andre belangrijke uitgavenpost is de bezoldiging van de werknemers in overheidsdienst. Het verloop van die bezoldiging wordt als 'futloos' omschreven: buiten de indexering in het midden van vorig jaar was er geen sprake van loonsverhogingen. De sociale uitkeringen bleven ook ongewijzigd tegenover het bbp.Welke uitgaven stegen wel? Het rapport wijst daarvoor met de vinger onder andere naar de subsidies voor ondernemingen die aanzienlijk toenamen en naar de stijging van de pensioenuitgaven. Sinds 2011 groeide het aantal gepensioneerde met 1,5 tot 2 procent per jaar, en daardoor wordt er ook steeds meer pensioen uitgekeerd: in 2010 was dat 9,3 procent van het bbp, vorig jaar 10,3 procent. De vergrijzingskosten worden dus elk jaar duidelijker. Ondertussen laten de toepassingsvoorwaarden om de pensioenstelsels aan te passen op zich wachten. Dat getalm is niet goed voor de uitgaven.Minder uitgaven is een mooie kreet, maar hoe moet dat concreet? De Nationale Bank breekt een lans voor 'meer efficiëntie in de overheidsuitgaven'. Ze is daarbij niet mals voor hoe er momenteel met die overheidsuitgaven wordt omgesprongen: 'Ze zijn vandaag nog steeds hoog, niet alleen in vergelijking met de toestand vóór de crisis, maar ook in vergelijking met de meeste geavanceerde economieën, zonder dat daar steeds een betere dienstverlening tegenover staat'. Voor een regering moet zo'n zin niet prettig om slikken zijn.Het rapport geeft ook aan waar onze overheid efficiënter kan optreden. Op het vlak van de gezondheidszorg zijn onze resultaten vrij goed, al gaat dit gepaard met zeer hoge kosten: slechts één ander Europees land geeft er meer aan uit. De Nationale Bank vindt het dan ook noodzakelijk dat de uitgaven voor gezondheidszorg onder controle blijven. Op het vlak van onderwijs zijn we 'relatief efficiënt', al verschillen de resultaten sterk tussen de gemeenschappen: de schoolkennis ligt in Vlaanderen hoger dan die van de Franse Gemeenschap. Wat veiligheid betreft blijken zeven Europese landen betere resultaten te boeken terwijl ze er minder diep voor in hun portemonnee tasten. En voor mobiliteit scoren we ronduit zwak: we gooien er aanzienlijk veel geld tegenaan, met matige gevolgen. De Nationale Bank concludeert dan ook dat het mogelijk moet zijn om in onderwijs en mobiliteit betere resultaten te halen zonder de budgetten te verhogen.Ook al zijn de budgettaire marges in ons land gering, toch pleit de Nationale Bank ook voor meer investeringen in de overheid en vooral in onze infrastructuur, want 'de aanwezigheid van een kwaliteitsvolle vervoers- en communicatie-infrastructuur bepaalt in hoge mate de economische aantrekkingskracht van een land'. En dat laat bij ons te wensen over. We beschikken wel over zeer goede haven- en luchthaveninfrastructuur, maar 'sommige schakels in het transportnetwerken zijn de afgelopen jaren verslechterd', zo staat in het rapport. Dat geldt met name voor het spoorweg- en wegennet, die vooral rond de grote steden regelmatig helemaal vastlopen, zoals we allemaal weten. De toestand verslechterde de jongste jaren nog, vooral ten opzichte van de drie buurlanden. Uit cijfers van de Nationale Bank blijkt dat er sinds midden jaren tachtig geen netto investeringen meer zijn geweest in wegen, bruggen enzoverder. Dat wreekt zich vandaag. In het rapport wordt ook nog subtiel de problematiek van de fiscaal voordelige bedrijfswagens aangekaart, die vaak als een deel van het loon aan de werknemers worden gegeven: 'Het in het verleden gevoerde beleid, vooral op fiscaal vlak, moet worden omgebogen, teneinde het openbaar vervoer aantrekkelijker te maken, de verkeersdrukte te verminderen en het milieu te beschermen'. Het zijn mooie uitdagingen voor onze regeringen, maar het ziet er niet naar uit dat daar deze legislatuur nog veel terecht van zal komen.De Nationale Bank juicht de taxshift toe: daardoor werden onze lasten op arbeid verlaagd, die tot de zwaarste van Europa behoren. Dankzij die loonkostenverlaging werden de bedrijven competitiever, en stegen de uitvoer en de investeringen in ons land. We moeten op deze ingeslagen weg verder, zo zegt de Nationale Bank, en daarbij stuurt ze aan op een vereenvoudiging van de belastingtarieven en barema's, zowel wat betreft de vennootschapsbelasting als op investeringen en beleggingen.De regering bakkeleit al een hele tijd over een hervorming van de vennootschapsbelasting al dan niet gekoppeld aan een vermogensbelasting. Veel staat daarover niet in het rapport en gouverneur Jan Smets wou er tijdens de presentatie ook niet veel over kwijt, omdat de Nationale Bank, samen met het Planbureau en de Hoge Raad van Financiën, in opdracht van premier Michel de gevolgen van een verlaging van de vennootschapsbelasting bestudeert. Maar toch dit: Smets benadrukte dat een hervorming van de vennootschapsbelasting 'wenselijk en noodzakelijk' is. Hier heeft de regering-Michel ook al kostbare tijd verloren laten gaan.Een belangrijk probleem voor onze economie is de aanhoudende hoge inflatie: het leven wordt in België sneller duurder dan in de andere landen van Europa. Vorig jaar kwam de inflatie in ons land uit op 1,8 procent, tegen 0,6 procent het jaar voordien. Hoe dat komt, weten we ondertussen: zowat 1 procentpunt daarvan was het gevolg van overheidsmaatregelen, zoals de verhogingen van btw en accijnzen om te taxshift te financieren. Daarnaast blijkt dat de prijzen in de dienstensector bij ons sneller stijgen dan elders is Europa. De telecomtarieven werden vorig jaar bijvoorbeeld meer dan 4 procent duurder, wellicht door een gebrek aan concurrentie.De vaststelling dat de diensteninflatie bij ons aanmerkelijk hoger ligt dan elders is niet nieuw, want dat weten we al sinds 2008. Het is dan ook opmerkelijk dat de minister van Economie, Kris Peeters (CD&V), pas midden vorig jaar een studie bestelde om de oorzaken van de hoge diensteninflatie te achterhalen. Die studie moet dit jaar klaar zijn. Dat is dus bijna 10 jaar na de eerste vaststelling. De hoge inflatie sijpelt via prijsindexeringen door in onze economie en zorgt overal voor prijsstijgingen: huur, tarieven openbaar vervoer, premies voor brandverzekering enzoverder worden dan duurder. De klimmende prijzen werken ook via de index door in de lonen. Het rapport citeert cijfers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven waaruit blijkt dat de loonkloof die sinds 1996 was ontstaan ten opzichte van het gemiddelde van onze drie buurlanden vorig jaar helemaal was weggewerkt. In 2008 was die kloof nog bijna 5 procent. De Nationale Bank wijst op het gevaar dat de loonkosten sneller zullen stijgen dan in het buitenland en dus dat de loonkloof opnieuw zal opduiken, als gevolg van onze hoge inflatie en loonindexeringen. Dat is niet goed voor ons herwonnen concurrentievermogen. In het rapport worden geen suggesties gedaan over wat er moet of kan gebeuren, maar sommigen zullen zeker opnieuw de vraag stellen of onze unieke automatische loonindexering wel houdbaar is. De regering-Michel is hierover verdeeld. Gelijktijdig met de stijgende inflatie en dus stijgende loonkosten doet er zich in ons land een ander fenomeen voor: onze productiviteit, de hoeveelheid werk die we per uur verzetten, is sterk verminderd, eind vorig jaar boerde onze productiviteit zelfs achteruit. Dus de loonkosten stijgen én we produceren minder per uur, u moet geen Nobelprijswinnaar economie zijn om te begrijpen dat een gevaarlijke cocktail is voor onze concurrentiekracht. De Nationale Bank benadrukt dat 'een sterkere productiegroei nodig is' en daar kunnen een aantal zaken toe bijdragen. Een kwaliteitsvolle vervoer- en communicatie-infrastructuur is bijvoorbeeld belangrijk. Uren in de file staan doet afbreuk aan onze productiviteit. Innovatie is een ander element en ook daarin scoren we niet zo goed. Ten eerste zijn de investeringen in onderzoek en ontwikkeling geconcentreerd in een aantal bedrijfstakken zoals de pharmaceutica en gebeurt dat ook vooral bij multinationals. Daarom moet ons land aantrekkelijk blijven voor buitenlandse investeringen, zo zegt het rapport. Dat zijn taken voor onze regeringen: investeren in infrastructuur (zie ook punt 4), het bevorderen van innovatie en research, en het creëren van een ondernemingsvriendelijk klimaat.'Jobs, jobs, jobs' is een mantra van de regering-Michel. Dat lukt: in 2015 werden er 42.000 banen extra gecreëerd, vorig jaar zelfs 59.000, waarvan 45.000 loontrekkenden waren en de rest zelfstandigen. Daarbij zijn er een aantal opvallende vaststellingen te doen: in tegenstelling tot een paar jaar geleden gebeurde de jobcreatie vooral in wat in het jargon omschreven wordt als 'conjunctuurgevoelige bedrijfstakken', lees: in de industrie en diensten waar er concurrentie heerst, niet bij de overheid. Vorig jaar stabiliseerde het aantal arbeidsplaatsen in de industrie, en dat in schril contrast met de neerwaartse tendens die daar lange tijd werd gezien. In de branche 'overheid en onderwijs' nam het aantal werknemers vrijwel niet meer toe, vooral als gevolg van de besparingsmaatregelen van de overheid. Aangezien de banencreatie vorig jaar de groei van de beroepsbevolking overtrof, liep de werkloosheid met 26.000 terug. Voor het eerst sinds 2000 daalde ook de werkloosheid van de 50-plussers. De hervormingen om oudere werklozen beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt, beginnen hun effect te sorteren, concludeert het rapport. Toch waren er in 2016 nog gemiddeld 553.000 werkzoekenden en bedroeg de werkloosheidsgraad 8 procent. De Nationale Bank noemt dit werkloosheidscijfer 'onaanvaardbaar hoog'.In het rapport staat ook dat de kans op 'herinschakeling' van een werkloze, het opnieuw aan de slag geraken, in ons land kleiner is dan in andere landen. 'Typisch voor het Belgisch stelsel van werkloosheidsverzekering is dat het niet beperkt is in de tijd, tenzij de werkloze een sanctie opgelegd krijgt. Het aandeel van de langdurige werkloosheid (langer dan 36 maanden) is in België institutioneel groter dan in andere landen waar voor langdurig werklozen een afzonderlijke regeling geldt.' Zonder het met zoveel woorden te zeggen, stelt de Nationale Bank hier de vraag of de werkloosheidsuitkering niet moet worden beperkt in de tijd. Het is een heet hangijzer, waar de regering-Michel ver weg van blijft.Een groot probleem blijft onze werkgelegenheidsgraad, het aantal mensen tussen 20 en 64 jaar dat een betaalde baan heeft. Ondanks het feit dat er sinds het begin van deze eeuw 550.000 arbeidsplaatsen zijn gecreëerd, is die werkgelegenheidsgraad amper gestegen. Dat komt omdat tijdens die periode de bevolking op arbeidsleeftijd is gegroeid. In 2000 oefende bijna 66 procent van de 20 tot 64-jarige een bezoldigde job uit, vorig jaar was dat 67 procent. Alleen de vrouwen en de 55 tot 64-jarigen zagen hun werkgelegenheidsgraad duidelijk stijgen. Dat was het gevolg van het optrekken van de pensioenleeftijd voor vrouwen en hervormingen van eindeloopbaanregelingen.Problematisch is dat laaggeschoolden, de jongeren en ook inwoners afkomstig uit niet-EU-landen meer moeilijkheden ondervinden om een plaats te veroveren op de arbeidsmarkt of om er zich te handhaven. Maar liefst 12 procent van onze jongeren van 15 tot 24 jaar is werkloos en volgt onderwijs noch opleiding. In onze buurlanden ligt dat percentage lager. In Nederland, Denemarken, Duitsland en Zweden bedraagt het zelfs maar de helft. Al moet gezegd dat er in ons land grote regionale verschillen zijn, want is dat cijfer Vlaanderen iets minder dan 10 procent (wat nog steeds hoog is), in Wallonië 15 procent en in Brussel 17,5 procent. Onderwijs speelt in dit alles een cruciale rol, maar in het rapport staan zinnen die geen enkele minister van onderwijs graag zal lezen: 'Over het algemeen genomen bestendigt het Belgisch onderwijssysteem de sociaaleconomische ongelijkheden. Ondanks de geringe inschrijvingskosten en de studiebeurzen voor huishoudens met een laag inkomen, is er een segmentatie (verdeling, nvdr) bij de onderwijsinstellingen. De meest benadeelde scholen beschikken over te weinig middelen om ervaren leraars aan te trekken en te behouden. Bovendien worden leerlingen reeds vroeg georiënteerd naar scholen voor algemeen, technisch of beroepsonderwijs.' Daar is dus werk aan de winkel.Tussen 2005 en 2015 is de inkomensongelijkheid in ons land wat afgenomen, terwijl ze in de meeste andere Europese landen toenam. En de inkomensongelijkheid is in ons land ook zeer laag, net als in Finland, Nederland, Zweden, elders ligt die een stuk hoger. Onze armoedecijfers zijn een ander paar mouwen: in België dreigt één volwassene op vijf geconfronteerd te worden met armoede of sociale uitsluiting. In Zweden, Frankrijk en Nederland ligt dat aandeel duidelijk lager. Dat komt vooral omdat mensen zonder werk het bij ons minder goed hebben.Als deze cijfers naar leeftijd worden uitgesplitst, blijken vooral jongeren het grootste risico te lopen op armoede of sociale uitsluiting en dat percentage neemt nog toe. Deze groep werd hard getroffen door de financiële en economische crisis. Voor 65-plussers is het risico op armoede of sociale uitsluiting sinds 2003 verkleind.Volgens de Nationale Bank lopen werkenden in ons land een zeer klein armoederisico, namelijk 4,5 procent, waarbij armoede wordt gedefinieerd als een inkomen onder de armoedegrens (in 2015: 12.993 euro netto per jaar of afgerond 1.083 euro netto per maand voor een alleenstaande en van 27.285 euro netto per jaar of afgerond 2.274 euro netto per maand voor een huishouden bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen). Voor werkzoekenden bedraagt dat risico 40 procent, voor inactieven 31 procent. Ook armoede is en blijft een grote zorg voor onze regeringen.