De filmindustrie weet het al langer: fiscale hulpmiddelen helpen privégeld naar de cultuursector te lokken. Door het succes in de filmsector werd de taxshelter in februari vorig jaar uitgebreid naar de muzieksector en de podiumkunsten. Daarmee wilde Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz (Open Vld) meer financiering naar de cultuursector halen.
...

De filmindustrie weet het al langer: fiscale hulpmiddelen helpen privégeld naar de cultuursector te lokken. Door het succes in de filmsector werd de taxshelter in februari vorig jaar uitgebreid naar de muzieksector en de podiumkunsten. Daarmee wilde Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz (Open Vld) meer financiering naar de cultuursector halen. Ruim een jaar na de invoering heeft het Departement Cultuur, Jeugd en Media een eerste evaluatie gemaakt. Hoewel het nog te vroeg is om een langetermijntrend vast te stellen, lijkt de maatregel nu al een succes. In 2017 waren er 204 aanvragen om via de taxshelter extra middelen te sprokkelen voor de podiumkunsten. Samen bedragen de investeringen 38 miljoen euro. "Net zoals heel wat organisaties namen wij in 2017 nog een afwachtende houding aan", zegt Bart Van der Roost, de algemeen directeur van het Kunsthuis Opera Ballet Vlaanderen. "Het zou me niet verwonderen als het investeringsbedrag volgend jaar fors stijgt." Maar niet iedereen heeft afgewacht. De uitbreiding van de taxshelter was goed nieuws voor Music Hall. Cultureel ondernemer Geert Allaert schoot in februari vorig jaar meteen uit de startblokken. Naar eigen zeggen hoopte de musicalproducent verlost te raken van zijn afhankelijkheid van subsidies. Allaert wilde 8 miljoen euro bij elkaar te brengen via de taxshelter. Volgens de cijfers van de Vlaamse administratie kwam dat bedrag op 9,7 miljoen euro. Ook Brussels Philharmonic was er snel bij om de fiscale wonderformule te gebruiken in zijn zoektocht naar geld. Intendant Gunther Broucke: "Wij zijn positief over de impact. Netto leverde de taxshelter in 2017 zo'n 900.000 euro extra middelen op. Daar valt wel iets mee aan te vangen." Het budget van het Brusselse orkest steeg op die manier met ongeveer een tiende. "Eigenlijk is de impact zelfs groter", zegt Broucke. "Wij zijn een grote culturele instelling met navenante loonkosten. Ons jaarbudget bedroeg vóór de taxshelter ongeveer 10 miljoen. Daarvan gaat ongeveer 70 procent naar lonen. Ons budget voor creatieve keuzes was dus pakweg 3 miljoen. Als daar 900.000 euro bij komt, vergroot onze armslag met een derde." In de theaterwereld deed het Toneelhuis in 2017 al volop mee, terwijl de KVS en NTG eerder bescheiden bleven. "Er was enige scepsis", stelt Gatz vast. "Is het goed dat de privésector zulke fiscale voordelen krijgt? Kost het de overheid uiteindelijk niet meer? Ik begrijp die vragen, maar in de filmsector hebben we met dat systeem tien jaar ervaring opgebouwd. Ondanks een aantal problemen heeft het daar wel degelijk gewerkt. Het loont de moeite ook in de podiumkunsten iets op gang te proberen brengen." Hier en daar klinkt wel kritiek omdat het gros van de middelen naar commerciële producenten gaat. Samen waren de gesubsidieerde organisaties goed voor 11,1 miljoen euro van de taxshelterinvesteringen. Vooral de grotere spelers hebben de weg naar het nieuwe fiscale mechanisme gevonden. Bovenaan staan Brussels Philharmonic en Kunsthuis Vlaanderen, maar ook middelgrote organisaties zoals Eastman en Anima Eterna, het orkest van Jos Van Immerseel, maken er gebruik van, net zoals kleinere spelers zoals de dansgroep Voetvolk en Bloet, het toneelgezelschap van Jan Decorte. Omdat Bloet bij de jongste subsidieronde uit de boot was gevallen, was de taxshelter een welge komen alternatief om een voorstelling samen met Black Box Revelation te realiseren. Voor veel kleine organisaties is de administratie die bij de taxshelter komt kijken zo aanzienlijk, dat het sop de kolen niet altijd waard is. "Iets minder dan de helft van de aanvragers komt uit het gesubsidieerde kunstendecreet", weet Gatz. "Ik ga ervan uit dat hun aantal in de toekomst zal stijgen. De taxshelter kan het budget van de meeste organisaties doen toenemen met 10 tot 15 procent. Er is bovendien nog heel wat privékapitaal op zoek naar projecten om op in te tekenen." Het optimisme in het rapport van de Vlaamse administratie verdient nog enig voorbehoud. Zo is het voor de Vlaamse en de Waalse ministers mooi meegenomen dat ze de fiscale factuur voor hun beleid kunnen doorschuiven naar de federale regering. Dat kan snel veranderen als het gat in de federale begroting groeit. "Dat klopt", geeft Gatz toe. "Maar omgekeerd vloeit de vennootschapsbelasting op onze subsidies wel naar de federale overheid. Waar het mij om gaat, is de ontwikkeling van de kunstensector als economisch weefsel. De taxshelter creëert multiplicatoreffecten die op termijn een volwassen economische sector doen ontstaan. Van mij hoef je de culturele sector niet meteen tot het legioen van de creatieve industrie te rekenen, maar op de keper beschouwd zijn de culturele en de creatieve sector samen goed voor 3 procent van het bruto binnenlands product. En dat percentage stijgt." In het lijstje van de mogelijke bedreigingen horen ook eventuele neveneffecten van de fiscale regeling thuis. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat op termijn heel wat traditionele sponsors naar de taxshelter opschuiven. Dat zou inkomstenverlies betekenen, doordat er commissies voor tussenpersonen en een taxshelterpremie moeten worden betaald. Of erger nog: op een dag kan het succes van de taxshelter een minister op het idee brengen te snijden in de cultuursubsidies. Gatz nuanceert: "Er zullen altijd mecenassen bestaan die een band met een bepaald productiehuis willen opbouwen. Bovendien wil ik duidelijk benadrukken: het is de bedoeling dat middelen uit de taxshelter een aanvulling blijven op de bestaande subsidiestromen. Er is geen sprake van dat het succes van het systeem een aanleiding wordt om te besparen in de kunsten."