Meise op een mooie zomerdag. Nadat ik mijn auto op een strook naast de weg heb geparkeerd, wandel ik de poort van de Plantentuin binnen. Het onthaal bevindt zich in een witte container. Wat verderop zijn de werken aan de nieuwe hoofdingang volop aan de gang. In die gebouwen komen onder meer een winkel, een informatiepunt, kantoren en andere faciliteiten om de bezoekers op een hedendaagse manier te verwelkomen. Enkele meters verder staan informatiepanelen met uitleg over de bouw- en verbouwplannen van de Plantentuin.
...

Meise op een mooie zomerdag. Nadat ik mijn auto op een strook naast de weg heb geparkeerd, wandel ik de poort van de Plantentuin binnen. Het onthaal bevindt zich in een witte container. Wat verderop zijn de werken aan de nieuwe hoofdingang volop aan de gang. In die gebouwen komen onder meer een winkel, een informatiepunt, kantoren en andere faciliteiten om de bezoekers op een hedendaagse manier te verwelkomen. Enkele meters verder staan informatiepanelen met uitleg over de bouw- en verbouwplannen van de Plantentuin. De geschiedenis van de instelling gaat verder terug dan die van ons land. "In 1797 kreeg de Jardin Botanique de Bruxelles een onderkomen op de Koudenberg, waar nu de Koninklijke Bibliotheek staat. Het begon met een kleine collectie, maar die groeide snel aan", vertelt Steven Dessein, de administrateur-generaal van de Plantentuin. "De tuin werd al gauw te klein en verhuisde in 1826 naar de grens met Sint-Joost, waar de Botanique ligt." Aanvankelijk was de tuin een privé- initiatief. "Bij de hogere klassen was het in om alles wat exotisch was te exploreren, zonder veel wetenschappelijke achtergrond. En ook al was de tulpenmanie al een tijdje voorbij, met horticultuur kon je geld verdienen. Pas in 1870 kwam de botanische tuin in overheidshanden. Het jonge België probeerde op alle mogelijke manieren uit te pakken met 's lands glorie. Het ijverde voor een stevig uitgebouwde plantentuin en zette Brussel op de kaart als concurrent van Parijs, en vooral van Kew. Die Britse tuin is nog altijd een richtpunt." Vanaf het begin ging de collectie breed. "In die eerste jaren kocht de overheid belangrijke buitenlandse verzamelingen aan, onder meer een referentiecollectie van Braziliaanse flora. Na de kolonisering van Congo verlegde de Plantentuin haar focus naar Midden-Afrika. Tegelijk nam de verwetenschappelijking toe. De beleidsvoerders wilden het nieuwe grondgebied in kaart brengen. Ze wilden weten wat er groeide en bloeide." Vanaf 1938 verhuisde de Nationale Plantentuin naar Meise. Het domein van 92 hectare bevindt zich op de terreinen van het vroegere kasteel van Meise en het kasteel van Bouchout. Naast de historische gebouwen kwamen serres en kantoren. "De instelling bleef federaal tot in 2001. Toen besliste de politiek dat we naar de gemeenschappen zouden gaan. Op een akkoord moesten we dertien jaar wachten. Pas op 1 januari 2014 werden we het Agentschap Plantentuin Meise van de Vlaamse Gemeenschap." Dessein stond toen twee jaar ad interim aan het hoofd van de Plantentuin, een instelling met 180 medewerkers in loondienst, 180 vrijwilligers en een twintigtal gidsen. "Ik ben in 2011 aan boord gehesen op verzoek van mijn voorganger. Eigenlijk zag ik dat helemaal niet zitten. Ik was tevreden met mijn baan als wetenschapper en wilde mijn onderzoek voortzetten. Om allerlei politieke redenen - je moest bijvoorbeeld tweetalig zijn - kwamen maar twee personen in aanmerking voor die functie. Uiteindelijk heb ik toegezegd." "Achteraf bekeken waren die twee jaar als interim-directeur een goede leerschool. Institutioneel zat alles geblokkeerd, maar ik leerde onderhandelen, diplomatisch zijn, een visie ontwikkelen samen met de collega's. Ik was toen 36 jaar en het jongste lid van het directiecomité, maar het ging vrij vlot om de neuzen in dezelfde richting te krijgen. Het ondernemingsplan schreven we samen. Eigenlijk verliep alles vlot, behalve de overdracht." Die communautaire patstelling was nefast voor de Plantentuin. De federale overheid investeerde niet meer, waardoor de werking en vooral de infrastructuur fel te lijden kregen. "Uiteindelijk kwam een ingewikkelde constructie uit de bus", gaat Dessein door. "Het grootste deel van onze collecties bleef federaal, maar de Vlaamse Gemeenschap kreeg ze in bruikleen. Zij onderhoudt de historische verzameling, nieuwe aanwinsten worden haar eigendom. Dat is vooral een boekhoudkundige oplossing, we verzorgen beide collecties natuurlijk even goed. En al zijn we een Vlaamse instelling, hier werkt een dertigtal medewerkers van de Franstalige Gemeenschap. Op termijn worden dat alleen nog wetenschappers. De technische profielen doven uit." "Onze wetenschappers krijgen aansturing van een raad die bestaat uit hoogleraren van de Vlaamse en Franstalige universiteiten, aangevuld met buitenlandse experts. Dat is administratief ingewikkeld, maar als iedereen wil samenwerken, lukt het wel. En iedereen wíl samenwerken. In de praktijk zijn er weinig problemen. Het werkt. Al heb ik maar tien minuten nodig om het niet meer te doen werken ( lacht). We schrijven gemeenschappelijke doelstellingen en laten het politieke voor wat het is. Bovendien willen we voldoen aan internationale standaarden, dan speelt taal veel minder een rol." De opdracht van het Agentschap Plantentuin Meise is drieledig. "Onze eerste opdracht is puur wetenschappelijk. We brengen de diversiteit in kaart, zowel in België als in het buitenland. Die diversiteit is enorm en we zijn nog helemaal niet klaar. Zelfs van de bloeiende planten moeten we nog 10 procent in kaart brengen. Als je naar de zwammen en de micro-organismen kijkt, kennen we amper 10 tot 20 procent. Die soorten willen we beschrijven en ontsluiten." "Daarnaast is conservatie belangrijk. 20 tot 30 procent van de planten is wereldwijd bedreigd. Dat heeft allerlei oorzaken, waarvan de klimaatshift er maar één is, naast bijvoorbeeld vervuiling en landgebruik. Hoe reageren populaties, hoe veranderen ze, hoe kunnen we ze herintroduceren? We proberen ecosystemen te begrijpen, en planten spelen daarin een primordiale rol. Als de planten verdwijnen, valt al de rest weg. Die keten willen we begrijpen." "De volgende pijler van onze opdracht bestaat uit het beheer van de collecties. Dat is uiteraard nauw verbonden met het onderzoek. Onze levende collectie is met 18.000 plantensoorten een van de grootste ter wereld. Daarnaast heb je onze gedroogde collectie, het herbarium. In onze gebouwen bewaren we 4 miljoen specimens. Dat is niet slecht voor een klein land, maar een stuk bescheidener dan bijvoorbeeld Kew en Parijs, die 8 miljoen specimens bewaren. Jaarlijks gaan tienduizenden stuks van onze verzameling de wereld rond. Het gros konden we ondertussen digitaliseren. Je kunt ze online opzoeken en consulteren, wat de uitwisseling een stuk eenvoudiger maakt." "Tot slot is onze zadenbank belangrijk voor onderzoek en herintroductie, vooral van inheemse planten. We zijn een groot project gestart om drie kwart van onze bedreigde planten in collectie te brengen. Bovendien willen we dat opentrekken, want planten die nog niet bedreigd zijn, kunnen dat in de toekomst wel worden. Daarnaast richten we ons op verwanten van eetbare planten. Koffie, bananen en bonen in het bijzonder." "Van bananen bestond tot nu geen zadencollectie, vandaar dat de Global Diversity Crop Trust ons die opdracht heeft toegewezen. Bananenzaden kun je moeilijk bewaren. We weten niet echt wat de juiste condities zijn om ze later te doen kiemen. Dat is erg, want voor de consumptie is dit een van de belangrijkste planten ter wereld. De wilde diversiteit is slecht bekend en de productie hangt af van één enkele variëteit. De cavendishbanaan houden we in leven door het gebruik van een ongelooflijke hoeveelheid pesticiden en fungiciden. Vroeg of laat leidt dat tot problemen." De wetenschappers van de Plantentuin leveren heel wat bijdragen aan de ontdekking, de documentatie en de instandhouding van het plantenleven, van ons land tot Mozambique, Nieuw- Zeeland en de Galapagoseilanden. Vorig jaar beschreven ze zeventig nieuwe soorten en in wetenschappelijke tijdschriften verscheen een honderdtal artikels. Ook de bezoekersaantallen zitten in de lift. In 2018 verwelkomde de Plantentuin een recordaantal van 175.000 bezoekers, een verdubbeling in vergelijking met vijf jaar geleden. "Daarmee komen we aan de derde belangrijke poot van onze opdracht, en ook die gaat breed. Ons uitgangspunt is de bezoekers voeling te geven met wat planten zijn en met wat hun belang is, van gezinnen tot gepassioneerde tuinliefhebbers", vertelt Dessein. "Als families hier komen wandelen, zijn er voor de kinderen voldoende dingen die ze kunnen doen, zonder dat het speeltuigen zijn. Door onze nieuwe rozentuin lopen bijvoorbeeld tunnels en heuvels waarop de kinderen kunnen ravotten, terwijl hun ouders van de rozen genieten. We passen het design van de tuin aan, maar we maken er geen pretpark van." "In alles wat we doen, brengen we gelaagdheid aan. Zelfs kinderen die tegen hun zin meekomen, steken hier iets op. We bieden een antwoord op wat de bezoeker kan boeien. Vanaf volgend jaar kunnen moestuiniers onze culinaire tuin met eetbare planten ontdekken. Tegelijk mag de meerwaardezoeker niet op zijn honger blijven zitten. In het nieuwe houtmuseum kun je op verschillende niveaus naar hout kijken, tot het cellulaire toe. Ook tuinliefhebbers komen aan hun trekken. Jaarlijks bezoeken wereldwijd 500 miljoen toeristen een botanische tuin. We hebben nog ruimte om te groeien." De verdubbeling van het aantal bezoekers is voor Dessein maar een begin. "175.000 bezoekers is erg beperkt, als je weet dat Kew 1 tot 1,4 miljoen bezoekers per jaar trekt. Volgens mij mogen we gerust mikken op 250.000 bezoekers. Aangezien we vier verhaallijnen aanbieden, kunnen mensen gerust meerdere keren komen. Die verhalen zijn: vegetaties van de wereld, het historische patrimonium, mensen en planten, en het wetenschappelijke verhaal." Diplomatisch antwoordt Dessein dat de drie opdrachten - onderzoek, collectie en publiekswerking - even belangrijk zijn. "De bron van onze plantentuin is de collectie: de planten en de bomen. Daarop enten zich de wetenschap en de bezoekers. Zonder collectie ben je een park. Zonder onderzoek ben je gehandicapt en kun je geen uitleg geven. En zonder bezoekers doe je iets wat je niet kunt uitdragen." Toen Dessein de leiding over de Plantentuin overnam, kon hij beschikken over een masterplan dat in 2009 werd opgetekend. "Dat was een goed basisdocument, al waren er leemtes. Intussen zijn we dat aan het updaten. Het bestaat uit drie fases. Daarvan is de eerste volledig opgestart, zoals de vernieuwde inkom of het serrecomplex dat in 2021 opent." "In de tweede fase gaat het vooral over het centrale gedeelte van het domein. Het pachthof moet het kloppend hart van de tuin worden. Er komt ook een nieuw technisch gebouw, nieuwe wegen, riolering. In de derde fase willen we de kantoren aanpakken. Die zijn verouderd en verkeren in een slechte staat." "In principe kregen we de belofte dat de Vlaamse overheid voor de uitvoering van het masterplan 100 miljoen euro uittrekt. Ik doe er alles aan om binnen dat budget te blijven. Dat vind ik mijn opdracht. Maar de Vlaamse regering stort per legislatuur, het blijft afwachten. Ook al zijn er veel belangrijke behoeften in de maatschappij, deze investering is nuttig - niet alleen voor de bezoekers, ook voor de uitstraling van Vlaanderen en België. En als nalatenschap voor de generaties na ons." Of de overheveling naar het Vlaamse niveau geen versnippering in de hand werkt? Dessein zucht en aarzelt voor hij antwoordt. "Dat is een politieke vraag en daarop kwam een politiek antwoord. Was het ooit denkbaar dat we samen met het AfricaMuseum en het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) één federale instelling zouden vormen? Dat had kunnen functioneren. Samen waren we op wereldniveau een van de grootste natuurhistorische instellingen geweest. Maar we zitten in een andere context en er is geen weg terug." "Voor de Plantentuin weet ik dat we Vlaams beter af zijn dan federaal. Onze ambities en onze doelstellingen zijn duidelijk. Op het federale niveau is de vrijheidsgraad veel minder groot. Als ik zie hoe moeilijk mijn collega's bijvoorbeeld kunnen aanwerven, zo fnuik je haast alle dynamiek. We zijn alle drie een toeristische bestemming, soms moet je dan snel een jobstudent inschakelen of een tijdelijke kracht. Dat gaat bij de Vlaamse overheid veel beter." "We werken nog altijd goed samen met het AfricaMuseum en het KBIN, zeker wetenschappelijk, en heel zeker als het over Afrika gaat. Ik zie die samenwerking niet verminderen, ook omdat de instellingen elkaar op Europees en internationaal niveau tegenkomen. Tegelijk gingen deuren open van andere Vlaamse instellingen die vroeger misschien gesloten bleven. Toerisme Vlaanderen nam ons bijvoorbeeld op in zijn promotie. Zo kunnen we het aantal buitenlandse bezoekers opdrijven van één op de tien naar één op de drie." Dessein pleit niet alleen voor samenwerking met de federale instellingen, maar ook met de universiteiten, zowel Vlaamse als Franstalige. "Via het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek willen we beurzen aanbieden voor jonge onderzoekers. Voor instellingen als de onze is het belangrijk voldoende instroom te krijgen van jonge onderzoekers met nieuwe inzichten. We werken aan een dynamiek zoals die aan universiteiten bestaat. Ik wil hen geen vliegen afvangen, maar samenwerken, zodat we er allemaal van profiteren." "Jammer genoeg promoot de overheid de samenwerking tussen universiteiten en wetenschappelijke instellingen te weinig. Je vervalt gauw in een strijd om meer middelen. Dat wil ik vermijden. Het aantal goedgekeurde projecten is laag. Al vind ik dat Vlaanderen het niet slecht doet. We zitten nog niet aan 3 procent middelen voor onderzoek en ontwikkeling, maar we benaderen het wel. Wat competitie is niet slecht, maar we verspillen te veel energie aan de strijd om middelen. We kunnen beter samenwerken en ons meten met internationale tegenhangers." En een samenwerking met de bedrijfswereld? "Dat kan zeker, en daarop zetten we de jongste jaren in. Toch blijft de kloof groot tussen ons fundamenteel onderzoek en het toegepaste onderzoek van de bedrijven. Samenwerkingen zijn er nog niet, maar we merken dat de interesse stijgt. Sommige ondernemingen voorzien ons van zaaigeld om bijvoorbeeld onderzoek naar nieuwe koffiesoorten te doen. Die moeten we opkweken vanuit de brousse, een proces van jaren. Voor bedrijven is dat een eeuwigheid."