Het gaat goed met de studentenarbeid in België. Steeds meer studenten werken en ze doen het ook vaker. Volgens de meest recente cijfers van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) waren in 2021 565.248 jobstudenten aan de slag. Dat is een record en een sterke stijging in vergelijking met 2012. Toen hadden 441.749 studenten een baan. Het aantal werkende studenten nam elk jaar toe, behalve in 2020, toen door corona de kaap van 500.000 jobstudenten niet werd gerond (zie grafiek Studentenarbeid groeit al een decennium). Het aantal gepresteerde uren steeg van 89 miljoen in 2017 tot 117 miljoen in 2021. Het gemiddelde aantal werkuren van een student met een studentenjob is in vijf jaar van 171 naar 207 gestegen. Het aandeel studenten dat alleen werkt in de zomermaanden (juli, augustus en september) is tussen 2012 en 2021 gezakt van 37,2 naar 20,3 procent.
...

Het gaat goed met de studentenarbeid in België. Steeds meer studenten werken en ze doen het ook vaker. Volgens de meest recente cijfers van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) waren in 2021 565.248 jobstudenten aan de slag. Dat is een record en een sterke stijging in vergelijking met 2012. Toen hadden 441.749 studenten een baan. Het aantal werkende studenten nam elk jaar toe, behalve in 2020, toen door corona de kaap van 500.000 jobstudenten niet werd gerond (zie grafiek Studentenarbeid groeit al een decennium). Het aantal gepresteerde uren steeg van 89 miljoen in 2017 tot 117 miljoen in 2021. Het gemiddelde aantal werkuren van een student met een studentenjob is in vijf jaar van 171 naar 207 gestegen. Het aandeel studenten dat alleen werkt in de zomermaanden (juli, augustus en september) is tussen 2012 en 2021 gezakt van 37,2 naar 20,3 procent. Eind 2022 had in België 72,1 procent van de 20- tot 64-jarigen een baan. Dat is deels te danken aan de toenemende populariteit van studentenarbeid. Van alle jongeren onder 25 jaar met een tijdelijke job, oefent 65,4 procent een studentenjob uit. Dat is een gevolg van de versoepelingen van de regels doorheen de jaren (zie kader Studentenarbeid werd steeds aantrekkelijker). En dat proces is nog niet ten einde. Sinds januari 2023 is het aantal uren dat een student mag werken, verhoogd. Tot nu toe was dat 475 uren per jaar - het zogenoemde contingent -, vrij te spreiden over het volledige kalenderjaar. Voor 2023 en 2024 wordt het maximum opgetrokken naar 600 uren. De reden daarvoor is dat 10 procent van de studentenpopulatie effectief meer dan 475 uur heeft gewerkt. Ze vallen voor die uren in principe niet meer onder het gunstige statuut dat hen niet onderwerpt aan de gewone RSZ-bijdragen. Bij studentenarbeid zijn een jobstudent en diens werkgever geen gewone socialezekerheidsbijdragen verschuldigd, maar enkel een 'solidariteitsbijdrage'. Die bedraagt 8,13 procent, waarvan 2,71 procent ten laste van de student en 5,42 procent ten laste van de werkgever. Dat is een groot verschil met het reguliere tarief, dat tot 38 procent kan oplopen. De uitbreiding van het systeem van studentenarbeid is goed nieuws voor de bedrijven, die de werkkrachten langer tegen zeer lage loonkosten aan de slag kunnen houden. Voor werkgevers zijn jobstudenten een reservoir aan flexibele arbeid, dat kan helpen bij pieken in de activiteit. Dezer dagen is dat meer dan welkom, gezien de moeilijkheid om vacatures in te vullen. Zelfs met een mogelijke recessie in het verschiet blijven jobstudenten interessant voor ondernemingen. Met hen is er geen risico van een vast contract dat met opzegvergoedingen moet worden verbroken als een bedrijf beslist af te slanken. Aanbieders van hr-diensten spelen daarop in. Bedrijven krijgen regelmatig berekeningen van sociaal secretariaten toegestuurd, die aantonen dat je een vaste werknemer gemakkelijk kunt vervangen door drie jobstudenten. Jan Denys, arbeidsmarktspecialist bij de hr-groep Randstad heeft daar bedenkingen bij. "De uitzendsector heeft lang mee de kar van de studentenarbeid getrokken. 40 procent van de uitzendkrachten zijn studenten. Zonder hen zou het voor ons zeer moeilijk werken zijn. Maar ik ben altijd weigerachtig verschillende regimes in het leven te roepen. Arbeid is nog altijd duur in België. Om dat een beetje te compenseren, vindt men allerlei ontsnappingsroutes uit. We doen dat via studenten en voor een stuk via flexi-jobs. Je moet daarmee opletten. Dat kan na verloop van tijd negatieve effecten hebben, bijvoorbeeld in de perceptie van de studenten. Met een nettoloon dat door de lage bijdragen heel dicht bij het brutoloon ligt, hebben ze een verkeerd beeld van de arbeidsmarkt." De lage loonkosten voor studentenarbeid zijn ook al een tijd een doorn in het oog van de vakbonden. Men is van oordeel dat de sociale zekerheid te veel inkomsten misloopt. Eenzelfde analyse maakte de linkse denktank Minerva een paar jaar geleden. De student haalt weliswaar financieel voordeel uit de lage bijdragen, maar heeft geen recht op voordelen als jaarlijkse vakantie en eindejaarspremies, aldus Minerva. Het grootste verschil zit in de opbouw van pensioenrechten. Er worden geen pensioenbijdragen aan de RSZ betaald, en dus worden de prestaties ook niet op de individuele pensioenrekening ingeschreven. Wie bijvoorbeeld langer studeert en tegelijk jobstudent is, verdient wel geld, maar de professionele activiteit in die periode heeft geen gevolgen voor het pensioenbedrag en telt niet mee voor het aantal jaren dat men werkt om recht te hebben op dat pensioen. Toen de federale regering in oktober vorig jaar besliste het contingent op te trekken naar 600 uren, was de jongerenafdeling van de christelijke vakbond ACV zeer kritisch. Jong ACV stelde dat het beter was geweest het bestaande systeem te behouden en studenten die meer dan 475 uur werken 'werkstudent' te laten worden en dus een hogere socialezekerheidsbijdrage te laten betalen. Ze kunnen dan genieten van het fiscale loonvoordeel van de werkbonus en hebben ook recht op vakantiegeld. Het ACV berekende dat je zo op het einde van de rit meer loon overhoudt. Het geeft het voorbeeld van een studente die deze zomer een maand en twee dagen als jobstudent aan de slag was. Met een normale sociale bijdrage zou ze 305,86 euro meer loon hebben overgehouden. Arbeidseconoom Stijn Baert (Universiteit Gent) speelde in op die bezorgdheid door te pleiten voor hogere sociale bijdragen voor wie meer dan 475 uren werkt, ergens tussen de 8 procent voor studenten en de reguliere sociale bijdrage tot 38 procent. Jan Denys is niet enthousiast. "Dat is nog een koterij erbij. Dan hebben we niet één, maar twee studentenstatuten. 475 uren vond ik oké. Dat hoefde niet toe te nemen. Zeker omdat je op basis van onze cijfers kan concluderen dat één op de drie studenten stelde dat zo'n job een slechte invloed had op het studieverloop, met een toenemend risisco op studievertraging. Ik wil niet te betuttelend zijn, maar soms werken studenten weken aan een stuk. Dan kunnen ze niet studeren. 600 uren komt overeen met drie maanden voltijds werken. Dat noem ik geen uitzonderingsregime meer." Het risico op slechtere studieresultaten of een langere periode vooraleer men een diploma haalt, komt ook terug in een studie die Stijn Baert vorig jaar publiceerde. Studentenarbeid tijdens hoger onderwijs lijkt studieprestaties sterker te schaden dan tijdens secundair onderwijs. Een mogelijke verklaring is dat hogere studies uitdagender zijn en daarom moeilijker te combineren zijn met studentenarbeid. Vooral studenten met intensieve jobs (meer dan 8 uur per week) hebben het moeilijk dezelfde prestaties te leveren als studenten zonder een job, en kampen met studievertraging. Tegenover de studierisico's staan natuurlijk de voordelen. Studenten met een job verhogen hun kansen op de arbeidsmarkt later. In de studie stelt Stijn Baert dat een studentenjob nuttige vaardigheden kan opleveren en een positief signaal op het cv is. Werkgevers zien studentenjobs als een signaal van motivatie, maturiteit en ambitie. "Je moet een onderscheid maken tussen het soort baan", weet Jan Denys. "Ik ben niet tegen tappen op café of rekken vullen in een warenhuis. Studentenarbeid is voor veel jongeren de enige periode in hun leven dat ze met laaggeschoolde arbeid in contact komen. Dat vormt een mens. Maar uit competentiestandpunt is het niet slecht een job te hebben die niet ver af staat van je studies. Je komt dan beter voorbereid op de arbeidsmarkt." Een vaak weerkerende kritiek op studentenarbeid is dat het tot oneerlijke concurrentie leidt ten nadele van werkstudenten en laaggeschoolde werknemers. Het zou die groepen uit de arbeidsmarkt duwen. "Die bezorgdheid was er vroeger wel", geeft Jan Denys toe. "Vooral in de zomermaanden zagen we een verdringing van de klassieke laaggeschoolde tewerkstelling. Dat is met de huidige krapte niet het geval." Volgens het onderzoek van Stijn Baert is er voor het argument van de verdringing van laaggeschoolde arbeid door jobstudenten weinig evidentie. "Studenten consumeren hun inkomen typisch, wat goed is voor de economie en dus voor de reguliere jobcreatie. Ook hier geldt eerder: werk creëert werk", stelt Baert. "Er zijn landen met een hogere werkzaamheidsgraad van laaggeschoolden dan België én met in verhouding meer werkende studenten, zoals Nederland", weet Jan Denys. "Zonder een apart statuut voor studentenarbeid. In Nederland zijn er lage barema's voor jonge werknemers en is het interessant om studenten aan te werven. Daar betalen ook iets meer mensen hun eigen studies. De brede Noord-Europese traditie van de combinatie van een studielening met een baan kennen wij minder. Een deel van de hoge werkzaamheidsgraad in Nederland is te verklaren door de vele studenten die een halftijdse baan hebben, maar dan ook langer over hun studie doen."