De laatste maanden van het seizoen 2019-2020 moesten topmaanden worden voor Brussels Philharmonic. Naast de gebruikelijke concerten in Flagey in Brussel stonden een tournee in Duitsland en de begeleiding van de finalisten van de Koningin Elisabethwedstrijd op de agenda. De corona-epidemie zette al die engagementen op de helling. "We zien 25 concerten wegvallen", vertelt Gunther Broucke, de intendant van Brussels Philharmonic. "Dat heeft een serieuze impact. Niet alleen financieel, maar ook op de werking van het orkest. We bezinnen ons over hoe we onze muzikanten in conditie kunnen houden en over een strategie om de connectie met ons publiek te bewaren."
...

De laatste maanden van het seizoen 2019-2020 moesten topmaanden worden voor Brussels Philharmonic. Naast de gebruikelijke concerten in Flagey in Brussel stonden een tournee in Duitsland en de begeleiding van de finalisten van de Koningin Elisabethwedstrijd op de agenda. De corona-epidemie zette al die engagementen op de helling. "We zien 25 concerten wegvallen", vertelt Gunther Broucke, de intendant van Brussels Philharmonic. "Dat heeft een serieuze impact. Niet alleen financieel, maar ook op de werking van het orkest. We bezinnen ons over hoe we onze muzikanten in conditie kunnen houden en over een strategie om de connectie met ons publiek te bewaren." Het Brusselse orkest is geen uitzondering. Collegium Vocale zag bijvoorbeeld zijn jubileumtournee met twintig concerten in diverse Europese landen geschrapt. Maar ook in andere kunstdisciplines slaat de pandemie gaten in de kalender. In ons land zijn sinds 13 maart alle recreatieve activiteiten opgeschort. Net zoals de horeca zit de culturele sector in een lockdown. Wanneer daar een eind aan komt, is nog niet duidelijk. Economen vergelijken de toestand met een soort oorlogseconomie. Alleen is de tegenstander is geen oprukkend leger, maar een onzichtbaar virus dat het openbare leven lamlegt. De maatregelen om de verspreiding van covid-19 tegen te gaan, hebben geleid tot de afgelasting van meer dan 10.000 evenementen in de cultuur- en de entertainmentsector. Dat gaat van kleinschalige lunchconcerten tot de spektakelmusical 40-45 van Studio 100, en net zo goed van een toneelvoorstelling in de Monty, een platform voor kleine theaterproducties in Antwerpen, tot de première van de nieuwe James Bond-film in Kinepolis. Waar het kan, proberen organisatoren hun voorstelling of concert uit te stellen. Maar dat is niet altijd vanzelfsprekend. Rond deze tijd van het jaar rondt het gros van de organisatoren en de cultuurhuizen hun programmering voor het seizoen 2020-2021 af. De vrije ruimte tussen de concerten en de voorstellingen voor volgend seizoen is beperkt. Niet voor elke productie is er een uitwijkmogelijkheid, en twee jaar wachten is vaak geen optie, omdat dan het momentum voor bepaalde producties voorbij is. Afgelasten betekent niet alleen gederfde inkomsten, maar ook investeringskosten die niet meer te recupereren zijn. "Het is moeilijk in te schatten hoe groot de schade zal zijn", zegt Leen Laconte, de directrice van het overleg Kunstenorganisties (oKo). Dat verenigt 225 culturele centra en kunstenorganisties uit Vlaanderen. "De meeste onderhandelingen over geannuleerde contracten lopen nog. Hoe langer de sperperiode duurt, hoe groter de impact zal zijn. Nu al is duidelijk dat die erg verschillend is, naargelang de financieringsmix van een organisatie en haar reserves. Hoe meer een producent voor de financiering van zijn productie afhankelijk is van uitkoopsommen, hoe harder het er inhakt als uitstellen naar volgend seizoen niet lukt." Voor wie er nog aan twijfelt: de moderne cultuur- en entertainmentsector is een wijdvertakt ecosysteem waarvan de economische impact niet te onderschatten valt. In sommige gevallen kunnen organisatoren, toeleveranciers en zelfstandige artiesten dan ook gebruikmaken van de maatregelen die de federale regering heeft genomen om de economie te ondersteunen. Maar dat is lang niet voor alle spelers het geval. Een theatergezelschap zonder zaal kan bijvoorbeeld geen beroep doen op de eenmalige corona-hinderpremie van 4000 euro. Er is immers geen zaal die verplicht gesloten blijft. Ook politicus Bart Caron (Groen), actief bij het West-Vlaamse kunstencentrum Kaap en tot vorig jaar voorzitter van de commissie Cultuur in het Vlaams Parlement, ziet grote verschillen. "Zowel de gesubsidieerde kunstensector als de meer commerciële producenten in de entertainmentsector worden getroffen", zegt hij. "Terwijl in de entertainmentwereld meer de wetten van de klassieke economie gelden, hangt de impact op de gesubsidieerde kunstensector eerder samen met de statuten waaronder wordt gewerkt. Voor klassieke cultuurcentra valt het nog mee. Voor een geannuleerde voorstelling hoeven ze de producent meestal geen uitkoopsom te betalen. Voor de theaterproducent of de muzikant die in dat cultureel centrum kwam spelen, liggen de zaken anders. De meeste producties worden gemaakt met gastartiesten. Zij werken als zelfstandige of met kortlopende contracten. Die freelancers verliezen hun inkomen van enkele maanden." De Vlaamse cultuursector steunt op talloze vzw'tjes en vele zelfstandigen, al dan niet in bijberoep. Het zijn vaak mensen die tussen de mazen van het sociale vangnet vallen. Dat maakt de sector kwetsbaar, bevestigt Katrien Reist van de belangenvereniging State of the Arts (SOTA). "De culturele sector is een amalgaam van economietjes met mensen die hun inkomsten bij elkaar rapen", zegt ze. "Al die kortlopende contracten vormen samen een fragiel kaartenhuis. Dat dondert nu in elkaar, in een sector die na tien jaar bezuinigen al op zijn tandvlees zat." Leen Laconte benadrukt dat ook presentatieplekken een hoop inkomsten mislopen. "Onze leden halen 37 procent van hun budget uit subsidies", zegt ze. "Ruim 60 procent van hun centen komt uit een complexe mix van andere financieringsbronnen. De marge van de subsidies staat de jongste jaren onder druk. Door niet-indexering en besparingen overstijgt het totaal van de loonkosten van onze organisaties de toegekende subsidies al met 20 procent. De impact van het coronavirus komt boven op de fragiliteit die op die manier in de financiering was geslopen. Vroeger beschikten de zalen over een risicobudget. Dat is nu veel minder het geval. Ze hangen bovendien meer af van externe inkomsten, zoals zaalverhuur. Dat is nu ook weggevallen." Een voorbeeld is het Kunstencentrum Vooruit. "De Vooruit haalt 48 procent van zijn omzet uit de markt", vertelt Franky Devos, verantwoordelijk voor de algemene coördinatie van het Gentse monument. "De inkomsten uit zaalhuur, de ticketverkoop en ons café zijn nu herleid tot nul. We proberen dat te compenseren door een deel van ons personeel technisch werkloos thuis te zetten, maar dat lukt niet voor al onze mensen. We moeten het volgende seizoen voorbereiden." Ook Gunther Broucke wijst op het belang van eigen inkomsten. "Begin dit jaar kregen we een besparing van 3 procent - goed voor zo'n 300.000 euro - op ons bord", vertelt hij. "Daar komt nu de impact van de epidemie bovenop. Een deel kunnen we compenseren via technische werkloosheid, maar onze variabele inkomsten uit tickets en uitkoopsommen krijgen een knauw. Voor het najaar maak ik me zorgen over onze inkomsten uit de taxshelter en sponsoring. Het is belangrijk dat we het vertrouwen van het publiek en het bedrijfsleven weten te bewaren. Hopelijk veroorzaakt de epidemie bij hen geen koudwatervrees." De Vlaamse regering probeert de pijn te verzachten. "We hebben een taskforce opgericht die een methodologie moet uitwerken om objectieve cijfers te verzamelen", zegt Joachim Pohlmann, de kabinetschef Cultuur van minister van Cultuur Jan Jambon (N-VA). Hij benadrukt dat er al concrete maatregelen zijn om de stabiliteit te waarborgen. Als subsidies niet volgens afspraak of binnen de vastgelegde termijn worden gebruikt, zal de administratie die niet inhouden of terugvorderen. Maar niet iedereen kan van die inschikkelijkheid gebruikmaken. Individuele kunstenaars en kleine organisaties die geen structurele subsidies krijgen, dreigen de grootste slachtoffers te worden. Om de ramp in kaart te brengen heeft ook SOTA een meldpunt opgericht. Vorige week - voordat de lockdownmaatregelen tot na de paasvakantie werden verlengd - waren daarop al ruim 750 meldingen binnengelopen. "Volgens die gegevens had een kunstenaar gemiddeld al voor 5000 à 6000 euro verloren aan inkomsten of niet te recupereren uitgaven", zegt Katrien Reist. "De totale impact loopt dus in de miljoenen. En dat waren prognoses tot begin april. Als het langer duurt, loopt dat natuurlijk verder op." "We hebben bijna dertig freelancers, met wie we geregeld samenwerken, maar die niet vast verbonden zijn aan het orkest", vertelt Broucke. "Die groep ziet haar inkomen wegvallen. We bespreken met de vakbonden of er initiatieven mogelijk zijn om in de toekomst extra kamermuziekconcerten op te zetten, waarbij onze muzikanten hun gage afstaan aan een solidariteitsfonds voor die freelancers." In het cultuurveld gaan stemmen op om getroffen kunstenaars te ondersteunen via een noodfonds van de overheid. Franky Devos vindt dat een waardevol denkspoor. "Je kunt het vergelijken met een noodfonds voor de landbouw, dat ingrijpt als er te veel of te weinig regen valt. Ik ben daar voorstander van, maar je moet wel realistisch blijven. Zo'n fonds moet er enkel zijn voor wie geen beroep kan doen op andere mechanismen. Een alternatieve mogelijkheid is, naar het voorbeeld van Noorwegen, een tijdelijke inkomensbescherming voor artiesten uit te werken. Noorse artiesten krijgen 80 procent van hun loon uitbetaald op basis van hun inkomsten van de afgelopen drie jaar. Dat moet hier toch ook mogelijk zijn?" Tot op zekere hoogte gebeurt dat al. Een deel van de freelancers kan terugvallen op de zogenoemde kunstenaarsregeling in de werkloosheid. Ze hebben onder bepaalde voorwaarden recht op een uitkering, als ze voldoende dagen als kunstenaar hebben gewerkt. Die regeling is de jongste jaren wel strenger geworden. Het gevolg is dat sommige artiesten vrezen dat ze door het wegvallen van concerten of voorstellingen hun kunstenaarsstatuut kunnen verliezen. Om aanspraak te kunnen maken op de voordeelregeling, moet een artiest aantonen dat hij de jongste achttien maanden 156 dagen heeft gewerkt. Als de lockdown aanhoudt, wordt dat hoe dan ook moeilijker.