De PS ziet hogere lonen als een uitweg uit de crisis. De vakbonden dreigen met acties om de koopkracht van de werknemers te beschermen. Hun doelwit is de loonwet van 1996, die loonstijgingen beperkt om de competitiviteit van de Belgische bedrijven te beschermen. De eisen van links zijn in deze inflatietijden begrijpelijk, maar wie de concurrentiekracht opoffert op het altaar van de koopkracht, krijgt later de rekening gepresenteerd in de vorm van een aantasting van de werkgelegenheid, de belangrijkste bron van koopkracht.

Hogere lonen zijn een boemerang.

Door de hoge energieprijzen sijpelt een pak koopkracht weg naar het buitenland. De Europese Centrale Bank berekende op basis van cijfers van het vierde kwartaal van 2021 dat het eurogebied op jaarbasis netto 1,3 procent van zijn bruto binnenlands product kwijt is. Reken in België op een nettokoopkrachtverlies van 7 à 8 miljard euro dit jaar, zodat van de verwachte economische groei nog weinig overschiet. De discussie gaat zoals altijd over wie de rekening zal betalen.

De gezinnen zijn via de automatische indexering van de lonen vrij goed beschermd tegen de inflatie. De factuur wordt grotendeels doorgeschoven, naar de overheid die een deel van de hogere energiekosten betaalt, maar vooral naar de bedrijven die via hogere lonen de energierekening van hun werknemers betalen. Als je daar extra loonstijgingen bovenop legt, dan dreigt de factuur vooral voor de ondernemingen die van de export leven te hoog op te lopen. Daarop volgt een daling van de winst, van de investeringen en van de vraag naar arbeid. Een lagere werkgelegenheid tast ook de koopkracht van de gezinnen aan. We hebben de boemerang van te hoge lonen en loonkosten al meermaals gegooid en daarna in het gezicht teruggekregen.

De PS ziet hogere lonen als een uitweg uit de crisis. De vakbonden dreigen met acties om de koopkracht van de werknemers te beschermen. Hun doelwit is de loonwet van 1996, die loonstijgingen beperkt om de competitiviteit van de Belgische bedrijven te beschermen. De eisen van links zijn in deze inflatietijden begrijpelijk, maar wie de concurrentiekracht opoffert op het altaar van de koopkracht, krijgt later de rekening gepresenteerd in de vorm van een aantasting van de werkgelegenheid, de belangrijkste bron van koopkracht. Door de hoge energieprijzen sijpelt een pak koopkracht weg naar het buitenland. De Europese Centrale Bank berekende op basis van cijfers van het vierde kwartaal van 2021 dat het eurogebied op jaarbasis netto 1,3 procent van zijn bruto binnenlands product kwijt is. Reken in België op een nettokoopkrachtverlies van 7 à 8 miljard euro dit jaar, zodat van de verwachte economische groei nog weinig overschiet. De discussie gaat zoals altijd over wie de rekening zal betalen. De gezinnen zijn via de automatische indexering van de lonen vrij goed beschermd tegen de inflatie. De factuur wordt grotendeels doorgeschoven, naar de overheid die een deel van de hogere energiekosten betaalt, maar vooral naar de bedrijven die via hogere lonen de energierekening van hun werknemers betalen. Als je daar extra loonstijgingen bovenop legt, dan dreigt de factuur vooral voor de ondernemingen die van de export leven te hoog op te lopen. Daarop volgt een daling van de winst, van de investeringen en van de vraag naar arbeid. Een lagere werkgelegenheid tast ook de koopkracht van de gezinnen aan. We hebben de boemerang van te hoge lonen en loonkosten al meermaals gegooid en daarna in het gezicht teruggekregen.