Zo kan worden vastgesteld dat de Belgische exportbedrijven hun relatieve exportprijzen al meteen na die competitiviteitsmaatregelen met ongeveer 3 procent lieten zakken, wat meer is dan de daling van de arbeidskosten per eenheid product (-2%) over de periode 2015-2018. De exportbedrijven hebben wel degelijk hun uitvoerprestaties verbeterd via lagere exportprijzen.

In de goederenexport heeft die strategie gewerkt. Zo blijkt uit het artikel van de NBB dat de groei van onze goederenexport in 2010-2015 slechts 1,5 procent per jaar bedroeg en daarmee beduidend lager lag dan in Duitsland (4%) of Frankrijk (3%). Na de indexsprong, de taxshift en de verlaging van de exportprijzen keerde dat in 2016-2018 om, met een groei van de Belgische goederenexport van 3,7 procent per jaar ten opzichte van 3,2 procent in Duitsland en 3,4 procent in Frankrijk.

In de dienstenexport (30% van het totaal) werd de positieve impact van de competitiviteitsmaatregelen overschaduwd door onze zwakke e-commercesector en door de impact van de aanslagen van 2016 op het toerisme in ons land. Dat heeft ook onze economische groei in die periode wat afgeremd: die bedroeg maar 1,8 procent per jaar in 2015-2018 tegenover gemiddeld 1,9 procent in onze drie buurlanden (1,6% in Frankrijk, 1,9% in Duitsland en 2,4% in Nederland).

Jobs, jobs, jobs

Door de gematigde loonkostenontwikkeling hebben de bedrijven ondanks de wat zwakkere groei niettemin zeer veel arbeidsplaatsen kunnen creëren. Tussen het derde kwartaal van 2014 en het derde kwartaal van 2019 nam het aantal arbeidsplaatsen in de private sector met 224.000 banen toe. Dat is een groei met liefst 1,4 procent per jaar. Dat betekent dat er voor elke procent economische groei bijna 0,8 procent werkgelegenheidsgroei in de privésector werd opgetekend, een arbeidsintensiteit die dubbel zo hoog ligt als normaal. Een studie van Konings en Bijnens (KUL) uit maart 2019 bevestigt dat en concludeert dat ongeveer 81.000 van die banen (of 55% van de werkgelegenheidsgroei in de privésector in dienstverband) te danken was aan de competitiviteitsmaatregelen.

Bedrijven verdienen meer respect.

Bedrijven zijn dus duidelijk gegaan voor een sterkere exportgroei en hebben veel banen gecreëerd. Maar wat dan met hun rendabiliteit? Is die ongewoon fors toegenomen? Nee. Het aandeel van het bruto-exploitatieoverschot van de bedrijven in de door hen gecreëerde toegevoegde waarde is in 2015-2016 wel toegenomen, maar de Nationale Bank waarschuwt er in haar publicaties voor dat die maatstaf geen voorbode is voor de rendabiliteit van de ondernemingen. Daarvan moeten nog de investeringskosten en de betaalde vennootschapsbelastingen worden afgetrokken om tot een correcte rendabiliteit te komen.

Gestegen investeringsquote

Als we daarmee rekening houden, verandert het beeld volledig. In het licht van de digitale en groene revoluties die op ons afkomen, zijn de Belgische bedrijven in de voorbije jaren veel meer gaan investeren dan vroeger. De investeringsquote van de bedrijven is gestegen van 23 à 24 procent in 2002-2004 tot 26 à 27 procent in 2016-2018, vooral door forse investeringen de jongste vijf jaar. Daarnaast is ook de door de bedrijven betaalde vennootschapsbelasting de voorbije negen jaar stelselmatig toegenomen van 5 procent van de toegevoegde waarde van de bedrijven in 2010-2011 tot 7 procent in 2017-2018.

De slotsom van al die elementen is dat de macro-economische rendabiliteit van de bedrijven in 2015-2017 wel was verbeterd tot 8,8 procent van de toegevoegde waarde, net boven het langetermijngemiddelde (8,4%), maar dat zij ook nog altijd beduidend lager lag dan de niveaus van ongeveer 10 procent in 2004-2007. In 2018 hebben de sterke werkgelegenheidsgroei en de historisch hoge investeringsinspanningen zelfs opnieuw geleid tot een lichte terugval van die rendabiliteitsmaatstaf tot 7,8 procent.

Daarmee is nog maar eens aangetoond dat de bedrijven de competitiviteitsmaatregelen van de regering niet hebben gebruikt om hun winsten op te krikken tot ongewoon hoge niveaus, maar dat zij die bijkomende ruimte hebben aangewend om hun exportprijzen te verlagen en zo meer exportgroei te realiseren, om meer banen te creëren én om meer te investeren in digitale en groene innovatie.

Zij die vinden dat bedrijven te weinig belastingen betalen, kan ik geruststellen. België is de onbetwiste koploper in het betalen van belastingen en sociale bijdragen. Voor elke 100 euro die een werkgever als loonkosten betaalt, rijft de overheid 53 procent binnen. In geen enkel ander Europees land werkt men meer dan de helft van het jaar voor de overheid. Daarnaast bedraagt het nominale tarief in de vennootschapsbelasting na de verlaging nog altijd 25 procent, wat naar OESO-maatstaven erg hoog is. In dat kader spreken van een race tot the bottom is dan ook ongepast en onjuist.

Winsten zijn de investeringen van morgen

Men gaat ook voorbij aan het feit dat zonder rendabele bedrijven een economie gedoemd is te mislukken. De winsten van vandaag zijn de investeringen van morgen en de banen van overmorgen. Heel wat ondernemingen hebben bovendien de Corporate Governance Code 2020 onderschreven, een code die duurzame waardecreatie centraal plaatst. Die code legt een de nadruk op het belang van langetermijndenken, verantwoord gedrag van alle geledingen van de vennootschap en een permanente aandacht voor de legitieme belangen van alle stakeholders. Ook in diversiteits- en niet-financiële rapportering over milieu en mensenrechten wordt de lat hoger gelegd. De dag dat we terugkeren naar de tijd van priester Daens, sta ik samen met de syndicale leiders op de barricaden. Bedrijven verdienen meer respect in plaats van in diskrediet gebracht te worden.

Zo kan worden vastgesteld dat de Belgische exportbedrijven hun relatieve exportprijzen al meteen na die competitiviteitsmaatregelen met ongeveer 3 procent lieten zakken, wat meer is dan de daling van de arbeidskosten per eenheid product (-2%) over de periode 2015-2018. De exportbedrijven hebben wel degelijk hun uitvoerprestaties verbeterd via lagere exportprijzen.In de goederenexport heeft die strategie gewerkt. Zo blijkt uit het artikel van de NBB dat de groei van onze goederenexport in 2010-2015 slechts 1,5 procent per jaar bedroeg en daarmee beduidend lager lag dan in Duitsland (4%) of Frankrijk (3%). Na de indexsprong, de taxshift en de verlaging van de exportprijzen keerde dat in 2016-2018 om, met een groei van de Belgische goederenexport van 3,7 procent per jaar ten opzichte van 3,2 procent in Duitsland en 3,4 procent in Frankrijk.In de dienstenexport (30% van het totaal) werd de positieve impact van de competitiviteitsmaatregelen overschaduwd door onze zwakke e-commercesector en door de impact van de aanslagen van 2016 op het toerisme in ons land. Dat heeft ook onze economische groei in die periode wat afgeremd: die bedroeg maar 1,8 procent per jaar in 2015-2018 tegenover gemiddeld 1,9 procent in onze drie buurlanden (1,6% in Frankrijk, 1,9% in Duitsland en 2,4% in Nederland).Door de gematigde loonkostenontwikkeling hebben de bedrijven ondanks de wat zwakkere groei niettemin zeer veel arbeidsplaatsen kunnen creëren. Tussen het derde kwartaal van 2014 en het derde kwartaal van 2019 nam het aantal arbeidsplaatsen in de private sector met 224.000 banen toe. Dat is een groei met liefst 1,4 procent per jaar. Dat betekent dat er voor elke procent economische groei bijna 0,8 procent werkgelegenheidsgroei in de privésector werd opgetekend, een arbeidsintensiteit die dubbel zo hoog ligt als normaal. Een studie van Konings en Bijnens (KUL) uit maart 2019 bevestigt dat en concludeert dat ongeveer 81.000 van die banen (of 55% van de werkgelegenheidsgroei in de privésector in dienstverband) te danken was aan de competitiviteitsmaatregelen.Bedrijven zijn dus duidelijk gegaan voor een sterkere exportgroei en hebben veel banen gecreëerd. Maar wat dan met hun rendabiliteit? Is die ongewoon fors toegenomen? Nee. Het aandeel van het bruto-exploitatieoverschot van de bedrijven in de door hen gecreëerde toegevoegde waarde is in 2015-2016 wel toegenomen, maar de Nationale Bank waarschuwt er in haar publicaties voor dat die maatstaf geen voorbode is voor de rendabiliteit van de ondernemingen. Daarvan moeten nog de investeringskosten en de betaalde vennootschapsbelastingen worden afgetrokken om tot een correcte rendabiliteit te komen.Als we daarmee rekening houden, verandert het beeld volledig. In het licht van de digitale en groene revoluties die op ons afkomen, zijn de Belgische bedrijven in de voorbije jaren veel meer gaan investeren dan vroeger. De investeringsquote van de bedrijven is gestegen van 23 à 24 procent in 2002-2004 tot 26 à 27 procent in 2016-2018, vooral door forse investeringen de jongste vijf jaar. Daarnaast is ook de door de bedrijven betaalde vennootschapsbelasting de voorbije negen jaar stelselmatig toegenomen van 5 procent van de toegevoegde waarde van de bedrijven in 2010-2011 tot 7 procent in 2017-2018.De slotsom van al die elementen is dat de macro-economische rendabiliteit van de bedrijven in 2015-2017 wel was verbeterd tot 8,8 procent van de toegevoegde waarde, net boven het langetermijngemiddelde (8,4%), maar dat zij ook nog altijd beduidend lager lag dan de niveaus van ongeveer 10 procent in 2004-2007. In 2018 hebben de sterke werkgelegenheidsgroei en de historisch hoge investeringsinspanningen zelfs opnieuw geleid tot een lichte terugval van die rendabiliteitsmaatstaf tot 7,8 procent.Daarmee is nog maar eens aangetoond dat de bedrijven de competitiviteitsmaatregelen van de regering niet hebben gebruikt om hun winsten op te krikken tot ongewoon hoge niveaus, maar dat zij die bijkomende ruimte hebben aangewend om hun exportprijzen te verlagen en zo meer exportgroei te realiseren, om meer banen te creëren én om meer te investeren in digitale en groene innovatie.Zij die vinden dat bedrijven te weinig belastingen betalen, kan ik geruststellen. België is de onbetwiste koploper in het betalen van belastingen en sociale bijdragen. Voor elke 100 euro die een werkgever als loonkosten betaalt, rijft de overheid 53 procent binnen. In geen enkel ander Europees land werkt men meer dan de helft van het jaar voor de overheid. Daarnaast bedraagt het nominale tarief in de vennootschapsbelasting na de verlaging nog altijd 25 procent, wat naar OESO-maatstaven erg hoog is. In dat kader spreken van een race tot the bottom is dan ook ongepast en onjuist.Men gaat ook voorbij aan het feit dat zonder rendabele bedrijven een economie gedoemd is te mislukken. De winsten van vandaag zijn de investeringen van morgen en de banen van overmorgen. Heel wat ondernemingen hebben bovendien de Corporate Governance Code 2020 onderschreven, een code die duurzame waardecreatie centraal plaatst. Die code legt een de nadruk op het belang van langetermijndenken, verantwoord gedrag van alle geledingen van de vennootschap en een permanente aandacht voor de legitieme belangen van alle stakeholders. Ook in diversiteits- en niet-financiële rapportering over milieu en mensenrechten wordt de lat hoger gelegd. De dag dat we terugkeren naar de tijd van priester Daens, sta ik samen met de syndicale leiders op de barricaden. Bedrijven verdienen meer respect in plaats van in diskrediet gebracht te worden.