Sinds 2011 is de werkgelegenheidskloof tussen Belgen en niet-EU-immigranten er amper op vooruitgegaan. Binnen de Europa 2020-strategie nam België zich in 2011 voor die kloof te doen dalen van 29 procentpunten toen, naar 16,5 procentpunten in 2020. Vorig jaar bedroeg die kloof nog altijd 28,2 punten. Dat is te lezen in een rapport van de Hoge Raad voor Werkgelegenheid (HRW) dat woensdag is gepubliceerd. De Hoge Raad stelt de doelstelling 10/10 voor: de werkgelegenheidsgraad van buiten de EU geboren mensen in tien jaar tijd met 10 procent verbeteren. Om die vooruitgang te maken, identificeerde de HRW tien hefbomen die aangepakt moeten worden: de voorwaarden voor gezinshereniging herzien en een beter systeem om talent aan te trekken.

Het rapport begint met een beeld van de stand van zaken: een buiten de EU geboren immigrant heeft 22 procent minder kans om aan het werk te zijn dan een autochtoon. Bij mensen geboren in het Nabije- of Midden-Oosten is dat zelfs 40 procent minder.

Kijkt men naar het beeld bij de vrouwen, dan is dat nog slechter. Autochtone vrouwen hebben 11 procent minder kans dan mannen om te werken, bij vrouwen van buiten de EU is dat 23 procent. Dat verschil is vooral te verklaren door de lage werkgelegenheidsgraad van vrouwen uit de Maghreb, kandidaat-EU-lidstaten en het Nabije- en Midden-Oosten. Dat heeft vooral te maken met het feit dat veel van deze vrouwen 'eenvoudigweg niet op de arbeidsmarkt aanwezig' is. Factoren daarbij zijn, onder meer, culturele impact, samenstelling van het gezin en 'de weinige werkgelegenheidsstimuli in ons land'.

De toegang tot werk is niet de enige moeilijkheid, stelt de HRW vast. 'Buiten de EU geboren immigranten hebben kwetsbaarder en minder goed betaalde banen', aldus de Hoge Raad. Het mediaan equivalent inkomen van buiten de EU geboren personen lag in 2016 43 procent lager dan dat van autochtonen, het grootste verschil van de landen waarmee wordt vergeleken. Hun loopbanen zijn ook minder stabiel.

Om die cijfers te verbeteren, identificeerde de HRW tien hefbomen die beter vroeg dan laat aangepakt moeten worden. Met doelstelling 10/10 hoopt de instantie 'aan alle politieke en economische actoren, en aan de bevolking, een duidelijke boodschap te geven dat onverwijld moet worden opgetreden. Ieders inzet is immers noodzakelijk.'

Die hefbomen gaan enerzijds over de voorwaarden over de toegang tot het grondgebied, en anderzijds over de inschakeling op de arbeidsmarkt. Binnen dat eerste luik past onder meer een pleidooi om de voorwaarden voor gezinshereniging te herzien. Net als in hun thuisland blijven deze vrouwen in België vaak huisvrouwen. De HRW stelt ook voor om een maximale verblijfsperiode van twee jaar te eisen, in plaats van één jaar nu, voor gezinshereniging aangevraagd kan worden. Wat betreft de inschakeling op de arbeidsmarkt, merkt de Hoge Raad op dat er al beleidsmaatregelen bestaan om immigranten te begeleiden, maar dat daar verbetering mogelijk is. Zo kan het beheersen van een taal op school gebeuren, 'maar beter nog op de werkvloer'.

Sinds 2011 is de werkgelegenheidskloof tussen Belgen en niet-EU-immigranten er amper op vooruitgegaan. Binnen de Europa 2020-strategie nam België zich in 2011 voor die kloof te doen dalen van 29 procentpunten toen, naar 16,5 procentpunten in 2020. Vorig jaar bedroeg die kloof nog altijd 28,2 punten. Dat is te lezen in een rapport van de Hoge Raad voor Werkgelegenheid (HRW) dat woensdag is gepubliceerd. De Hoge Raad stelt de doelstelling 10/10 voor: de werkgelegenheidsgraad van buiten de EU geboren mensen in tien jaar tijd met 10 procent verbeteren. Om die vooruitgang te maken, identificeerde de HRW tien hefbomen die aangepakt moeten worden: de voorwaarden voor gezinshereniging herzien en een beter systeem om talent aan te trekken.Het rapport begint met een beeld van de stand van zaken: een buiten de EU geboren immigrant heeft 22 procent minder kans om aan het werk te zijn dan een autochtoon. Bij mensen geboren in het Nabije- of Midden-Oosten is dat zelfs 40 procent minder.Kijkt men naar het beeld bij de vrouwen, dan is dat nog slechter. Autochtone vrouwen hebben 11 procent minder kans dan mannen om te werken, bij vrouwen van buiten de EU is dat 23 procent. Dat verschil is vooral te verklaren door de lage werkgelegenheidsgraad van vrouwen uit de Maghreb, kandidaat-EU-lidstaten en het Nabije- en Midden-Oosten. Dat heeft vooral te maken met het feit dat veel van deze vrouwen 'eenvoudigweg niet op de arbeidsmarkt aanwezig' is. Factoren daarbij zijn, onder meer, culturele impact, samenstelling van het gezin en 'de weinige werkgelegenheidsstimuli in ons land'.De toegang tot werk is niet de enige moeilijkheid, stelt de HRW vast. 'Buiten de EU geboren immigranten hebben kwetsbaarder en minder goed betaalde banen', aldus de Hoge Raad. Het mediaan equivalent inkomen van buiten de EU geboren personen lag in 2016 43 procent lager dan dat van autochtonen, het grootste verschil van de landen waarmee wordt vergeleken. Hun loopbanen zijn ook minder stabiel.Om die cijfers te verbeteren, identificeerde de HRW tien hefbomen die beter vroeg dan laat aangepakt moeten worden. Met doelstelling 10/10 hoopt de instantie 'aan alle politieke en economische actoren, en aan de bevolking, een duidelijke boodschap te geven dat onverwijld moet worden opgetreden. Ieders inzet is immers noodzakelijk.'Die hefbomen gaan enerzijds over de voorwaarden over de toegang tot het grondgebied, en anderzijds over de inschakeling op de arbeidsmarkt. Binnen dat eerste luik past onder meer een pleidooi om de voorwaarden voor gezinshereniging te herzien. Net als in hun thuisland blijven deze vrouwen in België vaak huisvrouwen. De HRW stelt ook voor om een maximale verblijfsperiode van twee jaar te eisen, in plaats van één jaar nu, voor gezinshereniging aangevraagd kan worden. Wat betreft de inschakeling op de arbeidsmarkt, merkt de Hoge Raad op dat er al beleidsmaatregelen bestaan om immigranten te begeleiden, maar dat daar verbetering mogelijk is. Zo kan het beheersen van een taal op school gebeuren, 'maar beter nog op de werkvloer'.