Het is nog zacht uitgedrukt, maar de voorbije dagen en weken was het niet altijd duidelijk of de sanering van de Belgische overheidsfinanciën op koers was. De Belgische regering kreeg goede punten van de Europese Commissie, omdat het nominale begrotingstekort met 2,7 procent ruim onder de 3 procentnorm bleef.

Maar zou België er tegen 2018 in slagen een structureel begrotingsevenwicht voor te leggen (gecorrigeerd voor eenmalige maatregelen en conjunctuurschokken)? Was het traject voor de sanering van de overheidsfinanciën duidelijk uitgetekend? Waren er genoeg besparingen en nieuwe inkomsten gepland om de begroting op koers te houden? In de Wetstraat waren daarover tegenstrijdige verhalen te horen. De algemene toelichting bij de begroting die op vrijdag in de Kamer werd ingediend, geeft het antwoord: België moet tegen 2019 een cumulatief tekort van 3,2 miljard euro wegwerken.

In de lijn van het Stabiliteitsprogramma

Tegenover het vooropgestelde traject dat een structureel evenwicht beoogde tegen 2018 moet in 2017 een inspanning van 1,9 miljard euro worden geleverd, tegen 2018 is 2 miljard het doel en in 2019 wordt dat 3,2 miljard euro. Dat zijn grote bedragen, maar ze zijn niet gigantisch, en ze mogen niet bij elkaar worden opgeteld. Als in 2017 bijvoorbeeld 1,9 miljard wordt gevonden, blijft er in 2018 nog een inspanning van 100 miljoen euro nodig.

De regering-Michel voorziet voor 2016 dat het structurele saldo van alle overheden samen verbetert met 0,8 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Voor 2017 is dat 0,7 procent en voor 2018 nog 0,4 procent. Op die manier kan België een structureel begrotingsevenwicht bereiken. Het beweegt zich daarmee in de lijn van de doelstelling van het Stabiliteitsprogramma dat de regering in april indiende bij de Europese Commissie (zie tabel Naar een structureel begrotingsevenwicht in 2018).

Met die sanering moet het voor België mogelijk worden zijn overheidsschuld eindelijk structureel af te bouwen. Voor 2015 wordt die geraamd op 107,2 procent van het bbp. Rekening houdend met de groeihypothesen en de verbetering van het begrotingssaldo zou de schuld volgend jaar afnemen tot 107 procent van het bbp. De daaropvolgende jaren zou ze verder dalen, tot 100,5 procent in 2019. Op voorwaarde dat de sanering van de overheidsfinanciën wordt doorgezet natuurlijk.

75 procent besparen, 25 procent nieuwe inkomsten

De sanering van de overheidsfinanciën moet de komende jaren grotendeels gebeuren aan de uitgavenkant. De regering-Di Rupo ging vooral op zoek naar nieuwe inkomsten om de rekening te doen kloppen. Volgens een recent rapport van de OESO gebeurde de begrotingsconsolidatie in 2012 en 2013 voor 60 procent via nieuwe belastingen. De regering-Michel kiest voor een sanering van 75 procent via besparingen en 25 procent via nieuwe inkomsten.

Premier Charles Michel en zijn ministers zijn er als de dood voor dat de regering wordt afgeschilderd als een ploeg die de belastingen verhoogt. De belastingen op consumptie en op kapitaal worden opgetrokken om de taxshift te financieren, die aan de andere kant de lasten op arbeid afbouwt en de koopkracht versterkt door de personenbelasting te verlagen.

Maar wie de algemene toelichting bij de begroting leest, merkt dat de roerende voorheffing versneld wordt opgetrokken van 25 naar 27 procent, wat volgend jaar 350 miljoen euro extra moet opbrengen. Die opbrengst zit voor 2016 echter eenmalig in de begroting en niet in de taxshift. Vanaf 2017 zit de roerende voorheffing wel in de taxshift.

Ook andere maatregelen zoals de hogere accijnzen worden vervroegd doorgevoerd, terwijl de lastenverlagingen meer in de tijd worden gespreid. Het gevolg is dat de ontvangsten van alle overheden in 2016 met 3,8 procent toenemen, meer dan het bbp. Aan de andere kant blijkt ook dat de uitgaven volgend jaar in reële termen stijgen, zij het zeer licht, met 0,5 procent.

Maar dat is een momentopname. De regering rekent de komende jaren toch vooral op een sanering via een verdere beheersing van de uitgaven en de terugverdieneffecten van de taxshift. Het terugverdieneffect van het totale pakket aan maatregelen wordt in 2016 al op 225 miljoen euro geschat.

Daarnaast zijn er de maatregelen om mensen langer en meer te doen werken. De impact daarvan is nu al te zien in de sociale zekerheid. Door de welvaartsenveloppe voor de verhoging van de uitkeringen (de laagste pensioenen en invaliditeitsuitkeringen) volledig te benutten, stijgen de RIZIV-uitkeringen weliswaar met 5,4 procent en de pensioenuitkeringen met 2,6 procent (ook door de vergrijzing), maar de uitgaven voor werkloosheid dalen met 5,6 procent en die voor het brugpensioen met 8,8 procent.

Conservatieve vooruitzichten voor banencreatie

Of de sanering van de overheidsfinanciën een harde noot wordt voor de Zweedse coalitie, hangt ook af van de economische groei. De vooruitzichten gaan uit van een geleidelijke verbetering van de economische situatie over de verdere legislatuur, met een reële bbp-groei van 1,3 procent in 2016, en van 1,7 procent in 2017 en 2018. In 2019 zou die terugvallen naar 1,5 procent. Er is sprake van 30.000 extra banen in 2016 en van 40.000 banen vanaf 2017. Dat zijn veeleer conservatieve vooruitzichten. Als de groei iets hoger uitvalt, bijvoorbeeld een procentpunt extra in 2016 en 2017, dan is dat goed voor 2 miljard euro extra in de staatskas en nog meer banen.

Aan de andere kant dreigt een groeivertraging de hele saneringsoperatie op de helling te zetten. Een vertraging met 0,5 procent zou meteen een gat van 900 miljoen euro in de begroting slaan. In 2019 zou de verslechtering oplopen tot 3,7 miljard euro, waarbij ook rekening wordt gehouden met de intrestlasten op het bijkomende tekort. Een recessie zou rampzalig zijn voor de regering-Michel, die van de gezondmaking van de overheidsfinanciën haar belangrijkste doelstelling voor de komende jaren heeft gemaakt.

Naar een structureel evenwicht in 2018

© Algemene toelichting begroting