Jef Vuchelen
Jef Vuchelen
Jef Vuchelen is professor Economie aan de VUB
Opinie

25/03/11 om 17:21 - Bijgewerkt om 17:21

We hebben geen energiebeleid

Sinds de eerste olieschok van 1973 maakt de olieprijs geregeld bokkensprongen. Het is dan ook verbazend te moeten vaststellen hoe amateuristisch de beleidsmakers reageerden op de jongste stijging van de olieprijzen naar aanleiding van de Libische revolutie.

We hadden mogen verwachten dat de overheid, nu men toch bijna veertig jaar weet dat de olieprijzen structureel opwaarts gaan, een doordacht beleid klaar zou hebben om daarmee om te gaan. Toegegeven, er is een beleid voor prijsdalingen: het zogenaamde kliksysteem verhinderde dat de prijzen voor de consument in even grote mate daalden als de wereldprijzen. De vraag blijft meer dan ooit of dit stelsel een onderdeel is van ons energiebeleid, dan wel een gemakkelijk te verkopen belastingverhoging.

De recente prijsverhogingen van de olie op de internationale markten mogen ons echter niet verblinden. De gevolgen voor de consument worden als pijnlijk omschreven, maar dat is onterecht. De mensen staren zich blind op de prijsverhoging, maar negeren het niveau van de prijzen. De benzineprijs zit relatief op hetzelfde peil als in 1985. Een prijs van ongeveer 1,60 euro per liter benzine vandaag, is even zwaar om dragen als de 0,90 euro in 1985. Voor een grondstof waarvan de voorraad beperkt is en de vraag sterk stijgt, is dat een vreemde evolutie. Vandaag spreken over hoge brandstofprijzen is dus onterecht. Het pijnlijke voor de consument is dat hij het voordeel van de goedkope olie van na de economische crisis verliest.

De commotie over de recente prijsverhoging van olieproducten illustreert dat er vooral nood is aan een beleid voor het doorrekenen van schokken in de internationale olieprijzen. Als de gevolgen van het nucleaire incident in Japan beperkt blijven, kan de conjunctuur voort aantrekken en valt het niet uit te sluiten dat de prijs van een vat olie boven 150 dollar uitstijgt. De consumptieprijzen zullen dan verder stijgen; beleidsmatig wacht men dan op de reactie van de consument. Zal hij overschakelen op openbaar vervoer, waarvan de stiptheid historisch laag is? Zal hij zijn klassieke wagen vervangen door een elektrische, die wellicht een even acuut brandstofprobleem zal kennen nu blijkt dat onze elektriciteitscapaciteit onvoldoende is? Veel mogelijkheden zijn er niet, maar overstappen naar alternatieven vereist heldere informatie van de overheid. De beste bijdrage die de overheid vandaag kan leveren aan het energiebeleid, is een duidelijke voorafspiegeling geven van de toekomstige prijsevolutie. Die moet verhinderen dat er getwijfeld wordt aan de hoogte van de toekomstige energieprijzen. We kunnen het zo formuleren: de rendabiliteit van huisisolatie mag niet langer bepaald worden door de fiscale aftrek, maar moet een logisch gevolg zijn van de verwarmingskosten, en de mogelijkheid om daarop te besparen.

Zo'n prijsbeleid moet vooral zorgen voor voorspelbare minimumprijzen voor gas, olie en elektriciteit, zodat niemand achteraf spijt krijgt van energiebesparende maatregelen. Maximale prijzen kunnen niet worden gegarandeerd, maar de overheid kan er wel zorg voor dragen dat plotse prijsverhogingen op de internationale oliemarkten slechts stapsgewijs in de binnenlandse prijzen worden doorgerekend. Voor diesel- en benzineprijzen kunnen we nog een stap verder gaan. De voorstanders van rekeningrijden argumenteren dat in dit stelsel het gebruik van een auto de kostprijs uitmaakt, niet het bezit van een wagen.

Rekeningrijden is niet voor morgen, maar waarom zouden we dit aspect nu al niet toepassen? De prijs van benzine en diesel zouden we kunnen verhogen, en de autobelasting verlagen. Los van de discussie over de belastingbevoegdheden van de verschillende bestuursniveaus, zal dit voor de modale burger geen verschil maken. Minder met de wagen rijden zal hem echter een groter financieel voordeel opleveren.

De recente oliecrisis heeft nog maar eens aangetoond dat er in ons land geen degelijk mobiliteits- en energiebeleid bestaat. Was dit het geval, er zouden geen discussies over het al of niet verlagen van de accijns worden gevoerd.

Jef Vuchelen, professor Economie aan de VUB

Onze partners