30/03/11 om 10:38 - Bijgewerkt om 10:38

Wat de Chinese economie doet met ons economisch bestel

Vooraanstaande Belgische bedrijven beginnen nu ook hun onderzoek richting China te schuiven. Dat roept verbazing, verbolgenheid of angst op.

Geen van deze sentimenten is op zijn plaats. Zo gaat dat nu eenmaal in een steeds meer geïntegreerde wereldeconomie en dat is een positieve gang van zaken.

Relatief schuiven sommige landen vooruit, andere achteruit. Het kernwoord is 'relatief'. De dynamiek van een vrijemarkteconomie maakt winners en losers onvermijdelijk, op de langere termijn gaan we er allemaal op vooruit. Sommige meer dan andere.

China wierp zich de jongste jaren steeds meer op als het werkatelier van de wereld, gespecialiseerd in de fysieke productie van zowat alles, van prutsig speelgoed tot gesofisticeerde machines. De logica van de sociaaleconomische vooruitgang maakt dat landen opschuiven in de economische keten. Landen als Vietnam en Bangladesh maken China het leven zuur als productie-entiteit florerend op basis van lage loonkosten.
China wordt verplicht stilaan weg te evolueren van die eerder simpele basisproductie. Onderzoek en innovatie komen steeds meer op de voorgrond. Dat ook ondernemingen als Bekaert, Umicore, Agfa en Barco daarin meegaan, getuigt van creatieve bezorgdheid over het intact houden van hun eigen competitiviteit op de wereldmarkten waar deze ondernemingen dagelijks slag leveren.

Twee lessen dringen zich op. De opkomst van China als onderzoeksland werpt een bijkomend licht op het debat over de toekomst van ons economisch bestel. De bewering van mensen als de Leuvense hoogleraar Paul De Grauwe dat we het zonder industrie best kunnen rooien, snijdt geen hout.

De vergelijking met de landbouw loopt mank, vooral omwille van de indirecte effecten van de industrie. Onderzoek en ontwikkeling hier houden wordt een heikele zaak als de industriële basis voor die O&O verhuist naar andere contreien. Ook de landbouw had belangrijke spinoffeffecten, maar die verzinken in het niets ten aanzien van die van de industrie.

Zo komen we automatisch bij de tweede grote les. We moeten in West-Europa, en zeker ook in België en Vlaanderen, naar een omgeving waarin industriële activiteit een haalbare kaart blijft. Alleen dan kunnen we erin slagen om ook de meer geavanceerde sectoren, die trouwens vaak besloten liggen binnen de traditionele activiteiten (bijvoorbeeld chemie en farma), hier te houden. Als we ons industrieel productievermogen al te zeer uithollen dan heeft dat onvermijdelijk negatieve gevolgen op onze mogelijkheden om in de spits van de economische vooruitgang te blijven meespelen.

Vlaanderen, België en Europa zijn op dit moment niet echt goed bezig met de adequate omkadering van het economisch gebeuren. De Vlaamse regering mist schwung en gerichte daadkracht.
De federale regering, tja, wat voor zinvols kan daar nog over gezegd worden? Dat het getouwtrek over het concept lopende zaken stilaan de essentie van het regeerwerk wordt? Dit is zeker geen overbodige discussie, maar wel een waarmee je niet erg ver komt als ondertussen de wereldwijde omgeving razend snel evolueert. Zowat alle Belgische politici lijken vandaag al zwaar gebiologeerd, om niet te zeggen verlamd, door het perspectief van de gemeenteraadsverkiezingen van volgend jaar.

Ook Europa kan niet echt de bakens uitzetten van een beleid dat ons sociaaleconomisch bestel moet aanpassen aan de noden van het tweede decennium van de 21ste eeuw en verder. Een herwerkte eurostructuur met het oog op echte stabilisering van de monetaire unie levert een grote bijdrage aan de positieve omkadering voor het economisch leven.

De afspraken van de afgelopen weken zijn too little, hopelijk niet too late. Van de vorming van een politieke unie en verdergaande flexibilisering van de arbeidsmarkten - twee noodzakelijke voorwaarden om tot een efficiënt werende monetaire unie te komen - kwam nog nauwelijks iets in huis. Daar veranderen wat miljarden euro's meer of minder voor een stabiliteitsfonds niks aan.

Onze partners