14/08/12 om 12:02 - Bijgewerkt om 12:02

Vijf jaar crisis

Op 9 augustus 2007 schortte BNP Paribas bij gebrek aan financieringsmogelijkheden drie van haar investeringsfondsen op. Prompt injecteerde de Europese Centrale Bank (ECB) 95 miljard euro aan nieuwe liquiditeiten in het systeem. Andere centrale banken volgden en de moeder aller financiële crises was uit de startblokken geschoten.

Weinigen zagen de bui hangen, nagenoeg onbestaande waren zij die voorspelden dat dit financieel onweer zou uitmonden in de zwaarste wereldwijde recessie uit de naoorlogse geschiedenis. De prompte en omvangrijke actie van de centrale bankiers en regeringen voorkwam een herhaling van het desastreuze scenario van de Grote Depressie van de jaren dertig.

Voor de recente ervaring kende de wereldeconomie drie episodes van globale terugval van de economische activiteit: 1975, 1982 en 1991. In elk van die drie recessies speelde een fors oplopende olieprijs een centrale rol. Ook in de periode 2006-'07 vond een stevige opstoot van die olieprijs plaats, maar de financiële crisis speelde een veel doorslaggevender rol.

Vooral in de tweede helft van 2008 ging het pijlsnel bergaf in de industrielanden en in de opkomende landen. Het volume aan internationale handel viel als een baksteen. Even opvallend, en ook onverwacht, was de kracht van het herstel, vooral in de opkomende landen waar ze midden 2009 alweer op het groeiritme zaten van voor de financiële implosie. Landen als China en Brazilië wierpen zich op als nieuwe trekkers van de wereldwijde economische activiteit.

7 miljard kapitalisten

Vanaf midden 2010 zette zich vooral in de industrielanden weer een groeivertraging door die zich de jongste maanden alsmaar nadrukkelijker laat voelen in alle opkomende landen. Vooral in de eurozone dreigt die nu ook uit te monden in een nieuwe recessie. Ziet ook voor de rest van de wereldeconomie de toekomst er eerder somber uit? Het antwoord is ja en neen.

Neen, omdat een krachtige onderstroom van ondernemerschap en nieuwe initiatieven alom merkbaar en voelbaar is. Het krachtige herstel in 2009 getuigde ook van die onderstroom. Die heeft veel te maken met de forse expansie van de vrijemarkteconomie sinds het begin van de jaren negentig. Voor de implosie van de Sovjet-Unie en de liberaliseringen in China en India trokken pakweg 1 miljard mensen de trein van de vrijemarkteconomie. Nu zit, op enkele tientallen miljoen mensen na, de volledige wereldbevolking van meer dan 7 miljard mensen op deze trein en dat mist zijn effect niet.

Het optimistische perspectief van meer en breder gedragen ondernemerschap dat zich hand in hand met een toenemende stock aan human capital en breed verspreide kennis ontwikkelt, wordt getemperd door een plejade aan negatieve omgevingsfactoren. Elk van die factoren verhoogt de onzekerheid van zowel ondernemers en investeerders als van consumenten en zelfs van overheden. Op de kortere termijn remt deze onzekerheid de bestedingen af, wat uiteraard de economische activiteit drukt. Maar ook de gevolgen op de langere termijn zijn aanzienlijk aangezien ondernemers en ondernemingen veel behoedzamer omgaan met hun investeringen en daardoor het aanpassings- en weerstandsvermogen van het sociaaleconomisch bestel verzwakken.

De belangrijkste negatieve omgevingsfactoren

In de geïndustrialiseerde landen is er op enkele uitzonderingen na een veel te omvangrijke schuldopbouw. In landen als Italië, Griekenland en Japan overweegt de overheidsschuld, in andere als Spanje en het Verenigd Koninkrijk overweegt de private schuld. De trend moet omgebogen worden naar schuldafbouw en dat remt de economische activiteit. Het is de zure appel waar we door moeten. Het is fout te stellen, zoals bijvoorbeeld Nobelprijswinnaar Paul Krugman doet, dat de overheid maar meer schuld moet aanvaarden om de gevolgen van de afbouw van private schulden op te vangen. Ook de meeste overheden zitten aan of over de limieten van hun schuldcapaciteit. Meer duidelijkheid en engagement van de overheden over de manier waarop ze met haar schulden omgaat, zou een belangrijk stuk onzekerheid wegnemen.

De crisis in de eurozone kan slechts op één manier beëindigd worden. Alle betrokken landen moeten zich uitdrukkelijk engageren om tot een politieke unie te komen waarbij ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk bevoegdheden in begroting, bankensupervisie en competitiviteit naar het Europese niveau gaan. Een instelling als de ECB kan met allerhande tussenkomsten tijd winnen, maar kan het fundamentele probleem van de toekomst van de euro niet oplossen. Zolang er geen geloofwaardige stappen naar zo'n politieke unie komen, werkt de eurocrisis verlammend op het economische klimaat.

Met China als voorbeeld bij uitstek zijn belangrijke opkomende landen dringend toe aan een fundamentele herziening van hun economisch model. De eenzijdige nadruk op een door export gedragen model dat beschikbare middelen massaal kanaliseert naar investeringen kan niet meer gedijen. Het is afwachten hoe een ingrijpende bijsturing van het economisch model van investeringsgedreven naar meer consumptiegedreven verloopt. Weer is het onzekerheid troef, over de timing en over de gevolgen.

De onderstroom van ondernemingszin, innovatie en kennisontwikkeling haalt heel snel weer de bovenhand als geloofwaardige ingrepen in de richting van meer stabiliteit en structurele oplossingen in het vizier komen. De bal van een snel en krachtig herstel ligt dus ondubbelzinnig in het kamp van de politieke besluitvorming.

In het dossier 5 jaar crisis in Trends leest u vanaf donderdag ook interviews met Luc Bertrand (AVH), Herman Daems (BNP Paribas Fortis) en Erik Buyst (KU Leuven).

Onze partners