30/08/13 om 10:14 - Bijgewerkt om 10:14

Van de ezel en dezelfde steen

Laten we eens een joekel van een open deur intrappen: de belasting op arbeid is haast nergens ter wereld zo hoog als in België. Als gevolg daarvan zit België opgescheept met veel te hoge relatieve loonkosten.

In de reeks over de tien prioritaire economische werven van de regering-Di Rupo, die nu loopt op de website van Trends, zet collega Mathias Nuttin alles nog eens op een rijtje. Misschien wel de meest veelzeggende cijfers die hij opsomt, gaan over de belastingwig, het verschil tussen de loonkosten voor de werkgever en het nettoloon voor de werknemer. Voor een alleenstaande zonder kinderen en met gemiddeld loon bedraagt deze loonwig bij ons 55,5 procent, tegenover 49,4 procent in Duitsland, 49,8 in Frankrijk en 37,8 in Nederland. Naarmate het loon stijgt, neemt het verschil in loonwig met de buurlanden toe. Belgische werknemers verdienen te weinig en kosten te veel, dat is de trieste realiteit anno 2013.

De belangrijkste ministers van de regering-Di Rupo komen ons voortdurend vertellen dat ze zich zeer goed bewust zijn van deze problematiek. Ze tonen zich ook erg vastberaden in het voornemen er iets aan te doen. Maar tot concrete beleidsingrepen overgaan, is al heel wat problematischer. Van de aangekondigde ernstige aanpassing van het indexe-ringsmechanisme komt niks in huis. Er komen dan wel maatregelen zoals de vrijstelling van socialezekerheidsbijdragen voor de eerste drie werknemers, of een specifieke ingreep die 50 of 100 miljoen loonlastenverlaging inhoudt. Maar op een loonmassa van 135 miljard euro in de Belgische private sector kan je daarmee niet van echt game changing-initiatieven gewagen. Zo ontstaat een wat vreemd overkomende retoriek. De regering zegt van alles en nog wat te doen om de loonlasten te verlagen, maar op de keper beschouwd, stellen die ingrepen zo weinig voor dat er geen significante resultaten van verwacht kunnen worden. Vervolgens moet men dan anderen de schuld geven van de mislukking van wat men een degelijk beleid noemt.

Tegelijk neemt de regering ook nog eens geregeld beslissingen die de loonlasten voor de ondernemingen nog verhogen. Neem nu de recente maatregelen in het kader van het ontslag van beschermden. Wanneer dit ontslag door de betrokken beschermde wordt aangevochten en die laatste krijgt gelijk van de rechtbank, dan moet de onderneming een schadevergoeding uitkeren gelijk aan zes maanden loon. De regering heeft nu beslist op deze schadevergoeding ook nog eens integraal RSZ-bijdragen te heffen. Voor 2013 zou dat nog 10 miljoen euro in het laatje moeten brengen, en op kruissnelheid zou het om 25 miljoen euro op jaarbasis gaan. De logica bij dit alles is ver te zoeken, tenzij men het houdt bij de vaststelling dat alle middelen blijkbaar goed zijn om toch maar zaad in het begrotingsbakje te brengen.

De hoge loonkosten werken negatief op ons sociaaleconomische bestel in. Ze tasten het concurrentievermogen van de ondernemingen aan: ze zorgen voor kostenverhogingen die niet of slechts gedeeltelijk gecompenseerd worden door een toename van de productiviteit. Ondernemingen reageren dan door banen te schrappen, wat meestal heftige reacties uitlokt van die groepen en hun trouwe politici die vasthouden aan het kader dat de voortdurende toename van de relatieve loonkosten als het ware institutionaliseert.

Te hoge relatieve loonkosten tasten ook het investeringsklimaat aan: ze zetten ondernemingen, en zeker zij die al internationaal vertakt werken, ertoe aan hun investeringen te doen in landen waar de loonkosten wel redelijk in lijn liggen met de productiviteit. Bovendien zullen de investeerders die dan toch nog voor België kiezen, er goed op toekijken voor een zo kapitaalsintensief mogelijke productievorm te kiezen. In nagenoeg elke branche of activiteit vormt de verhouding tussen kapitaal en arbeid geen in beton gegoten gegeven. Veelal zijn combinaties mogelijk. De duurdere van de productiefactoren - in het geval van België dus arbeid - zal zo veel mogelijk gemeden worden.

Ondanks haar veelbelovende retoriek schiet de regering- Di Rupo echt tekort in de aanpak van onze loonkostenhandicap, die ten aanzien van de drie buurlanden minstens 10 procent bedraagt. Met een loonmassa van 135 miljard euro in de private sector dringt zich een ingreep van 13,5 miljard euro op. Het is tekenend voor het beleid dat het al een eerste stap in de goede richting zou zijn mocht deze regering stoppen met maatregelen te nemen die de loonlasten nog verzwaren. Maar zelfs dat lukt niet echt.

Onze partners