20/09/12 om 11:44 - Bijgewerkt om 11:44

Schumpeter op sterk water

Ben Bernanke, Mario Draghi en hun collega's bij de centrale banken van China, Japan, India en Engeland domineren meer dan ooit tevoren het financieel-economische gebeuren.

De voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve en die van de Europese Centrale Bank kregen de voorbije maanden de allure van megasterren. Lang vervlogen lijkt de tijd dat centrale bankiers schier onbekende figuren waren die onopvallend en ver weg van de camera's rustig vergaderden over de besturing van het financiële systeem.

Ben Bernanke en Mario Draghi staan vandaag centraal in een gevecht om de economie overeind te houden, al lijkt voor de ECB-voorzitter vooral de overleving van de Europese monetaire unie van belang. Het is ondertussen duidelijk dat Draghi alleen niet in dat opzet kan slagen. Meer nog, er valt te vrezen dat het beleid van de ECB uiteindelijk de continuïteit van de eurozone nog meer zal bezwaren.

Er is niet enkel twijfel over het vermogen van Mario Draghi om de eurozone te redden, er is ook toenemende twijfel over het vermogen van de centrale bankiers in het algemeen om de economie te redden. Aandachtige toeschouwers kunnen die twijfel zelfs aflezen van het aangezicht en de lichaamstaal van Fed-voorzitter Ben Bernanke. Er zijn ook goede redenen voor die twijfels.

In Europa, de Verenigde Staten, China, India en andere opkomende landen ontwikkelde zich in de eerste jaren van de 21ste eeuw een economische boom die in belangrijke mate gedragen werd door schuldontwikkeling. Aanvankelijk zaten die schulden vooral in de private sector van de economie, maar door de financiële crisis van 2008-'09 en de daaropvolgende recessie haalden steeds meer overheden zich massaal schulden op de hals. De politieke overheden kregen in die keynesiaans geïnspireerde crisisbestrijding uitvoerig de hulp van de centrale bankiers, die wereldwijd de kranen opendraaiden en de financiële markten volpompten met liquiditeiten.

Het onmiddellijke gevolg was dat een complete inzakking van zowel de financiële wereld als van de reële economie voorkomen werd. Vooral de monetaire ingrepen in de periode van de zomer 2008 tot de lente 2009 verdienen meer krediet dan ze in sommige kringen krijgen. Het schoentje knelt bij wat zich nadien afspeelde, daarbij even abstractie makend van het specifieke gegeven van de eurocrisis. De monetaire autoriteiten, met de Fed van Ben Bernanke als vaandeldrager, bleven pompen in de hoop de machinerie van bestedingen, investeringen en jobcreatie weer in gang te krijgen. Dat lukte tot nu toe hooguit gedeeltelijk.

Het basisprobleem met die onophoudelijke geldcreatie is dat ze de middelen verschaft om noodzakelijke ingrepen op de heel lange baan te schuiven. In landen die een vastgoedzeepbel kenden (VS, Engeland, Spanje, Ierland,...), wordt het overaanbod aan woningen en commerciële gebouwen minder doortastend weggewerkt dan het geval zou zijn zonder de voortdurende creatie van geld. Hetzelfde geldt voor landen als China en India, waar heel wat productiecapaciteit werd uitgebouwd die slechts gedeeltelijk of zelfs helemaal niet meer bruikbaar blijkt te zijn.

Het is waar dat er geen wetenschappelijk onderbouwde technieken bestaan om te weten waar de grens ligt tussen verantwoorde ondersteuning om de Grote Klap te vermijden, en onverantwoord geld pompen waardoor onvermijdelijke aanpassingen uitgesteld worden. In wezen gaat het om een basiswet van de economie, namelijk dat een markteconomie groeit en voor welvaart zorgt via de zogenaamde creative destruction. Er wordt vernietigd om te kunnen voortgaan naar betere behoeftebevrediging van steeds meer mensen op deze wereld.

De Oostenrijks-Amerikaanse econoom Joseph Schumpeter (1883-1950) was de eerste die dit cruciale element van de markteconomie breedvoerig onder de aandacht bracht in zijn beschouwingen over economische groei en vooruitgang. Schumpeter en zijn inzichten staan op sterk water omdat de centrale bankiers, met de beste bedoelingen, omstandigheden creëren die de druk weg nemen om de creative destruction voluit haar werk te laten doen. Dat heeft alles te maken met het feit dat we in een periode zitten waarin schrappen en vernietigen méér aan de orde is dan de creatie van nieuwe zaken. Er mag niet de minste twijfel over bestaan dat we, wat centrale bankiers ook uit de hoge hoed toveren, die pijnlijke aanpassingen hoe dan ook ooit moeten ondergaan.

Onze partners