Niet alle intercommunales moeten vennootschapsbelasting betalen

10/02/16 om 14:00 - Bijgewerkt om 14:22

In de praktijk is het niet altiçjd makkelijk om te bepalen welke activiteiten bijkomstig zijn of niet. Daarom kunnen rulings gesloten worden met de belastingadministratie. Dat zegt Dirk Van Wal, partner BDO Belastingconsulenten.

Niet alle intercommunales moeten vennootschapsbelasting betalen

© Belga

In 2014 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat autonome gemeentebedrijven, in tegenstelling tot gemeenten en intercommunales, niet automatisch uitgesloten waren van de vennootschapsbelasting. De federale regering-Michel heeft deze ongelijkheid opgeheven door de automatische uitsluiting van vennootschapsbelasting dan ook maar voor de intercommunales af te schaffen.

De regering wil hiermee een rechtvaardiger belastingsysteem creëren, met een loyale fiscale concurrentie tussen privé- en overheidssector. Voor andere instanties die nog een automatische uitsluiting van de vennootschapsbelasting genieten, zoals havenbedrijven, werden onlangs trouwens ook al maatregelen in het vooruitzicht gesteld.

Concreet wordt de uitdrukkelijke uitsluiting van de vennootschapsbelasting voor intercommunales uit de wet geschrapt voor boekjaren die ten vroegste afsluiten op 1 juli 2015. Voor intercommunales die een boekjaar hebben dat gelijkloopt met een kalenderjaar, is het jaar 2015 dan ook het eerste boekjaar in de vennootschapsbelasting.

Daarmee zijn intercommunales echter niet automatisch allemaal onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Geval per geval moet onderzocht worden of de criteria voor onderwerping aan de vennootschapsbelasting voldaan zijn. Zo blijft een intercommunale toch nog aan de rechtspersonenbelasting onderworpen wanneer zij geen onderneming exploiteert of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt. Alleenstaande of bijkomstige verrichtingen van winstgevende aard vormen daarbij geen probleem.

In de praktijk is het niet altijd makkelijk om te bepalen welke activiteiten bijkomstig zijn of niet. Daarom kunnen rulings (voorafgaande akkoorden) gesloten worden met de belastingadministratie, zodat duidelijkheid gecreëerd wordt over welk belastingregime van toepassing is.

Uit de al afgeleverde rulings blijkt dat de intercommunales die uitsluitend activiteiten van openbaar nut uitoefenen die tot de bevoegdheid van de gemeenten behoren, en niet in concurrentie treden met de privésector, onderworpen kunnen blijven aan de rechtspersonenbelasting. Hierbij kan gedacht worden aan gereguleerde activiteiten in huishoudelijk afval, drinkwaterdistributie of riolering. Bijkomende activiteiten zoals bijvoorbeeld de ophaling van bepaald bedrijfsafval vormen geen probleem als die verband houden met de kerntaak en in omvang beperkt blijven.

De rulingdienst gaat na of gebruik gemaakt wordt van nijverheids- of handelsmethoden. Indien de intercommunale de mogelijkheid heeft dividenden uit te keren, is zij automatisch onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Zo nodig moet deze bepaling dan ook uit de statuten geschrapt worden.

Bij onderwerping aan vennootschapsbelasting vallen alle inkomsten onder de belastbare grondslag, maar kunnen ook wel aftrekposten als notionele-intrestaftrek of investeringsaftrek genoten worden. Het tarief in de vennootschapsbelasting bedraagt 33,99 procent. De voorheen onder de rechtspersonenbelasting opgebouwde reserves worden als belaste reserves beschouwd, zodat deze bij latere uitkering niet meer onderworpen worden aan vennootschapsbelasting. Bestaande verliezen worden niet overgedragen.

Onder de rechtspersonenbelasting zijn enkel in de wet bepaalde inkomsten belastbaar. Het gaat vooral om de belasting op de roerende inkomsten (dividenden, intresten) die een tarief van 25 procent ondergaan (27 procent vanaf 1 januari 2016), en om sommige inkomsten uit de verhuring van onroerende goederen waarop een belasting drukt van 20 procent. De nieuwe wet schrapt echter ook de vrijstelling van roerende voorheffing op ontvangen dividenden voor intercommunales die onderworpen blijven aan de rechtspersonenbelasting. Vennootschappen die dividenden ontvangen van intercommunales onder de rechtspersonenbelasting, kunnen ook niet meer de 95 procent DBI-vrijstelling genieten.

Dirk Van Wal, partner BDO Belastingconsulenten

Onze partners