Alain Mouton
Alain Mouton
Redacteur bij Trends
Opinie

02/08/13 om 10:56 - Bijgewerkt om 10:56

Pensioenleeftijd moet wel degelijk omhoog

Het voorstel van twee CD&V'ers om de wettelijke pensioenleeftijd op te trekken en te koppelen aan de levensverwachting viel op een koude steen. Onterecht.

Het voorstel van twee CD&V'ers om de wettelijke pensioenleeftijd op te trekken en te koppelen aan de levensverwachting viel op een koude steen. Onterecht.

We moeten vooral de systemen van vervroegde uittreding aanpakken. De pensioenleeftijd laten afhangen van de levensverwachting heeft geen enkele zin." Met die uitspraak op de RTBF-radio sluit voormalig PS-topambtenaar en pensioenexpert Michel Jadot zich aan bij de critici die de pensioenplannen van CD&V'ers Peter Van Rompuy en Robrecht Bothuyne naar de prullenmand verwezen. De twee parlementsleden willen de wettelijke pensioenleeftijd koppelen aan de gezonde levensverwachting, het aantal jaren dat iemand gezond leeft. In België is dat momenteel 69 jaar. Concreet zou dat betekenen dat tegen 2018 de wettelijke pensioenleeftijd van 65 naar 66 jaar zou stijgen, tegen 2023 naar 67 jaar en tegen 2028 naar 68 jaar.

Volgens veel experts en politici is dat een zinloze discussie, aangezien de effectieve pensioenleeftijd toch 59,6 jaar is. Eerst zouden we ervoor moeten zorgen dat mensen daadwerkelijk langer werken, dan pas kunnen we de discussie voeren over de wettelijke pensioenleeftijd. Dat kan door vervroegd pensioen en de werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen) verder in te perken. "Want de kleine hervorming van Vincent Van Quickenborne (Open Vld, de voorganger van Alexander De Croo op Pensioenen) was onvoldoende en heeft geen enkel effect", zegt diezelfde Jadot.

Daarin heeft de voormalige commis de l'État gelijk, maar eigenlijk is de discussie over de langere loopbaan van de Belgen een en-en-verhaal. Uiteraard moet de vervroegde uittreding nog meer ontmoedigd worden, maar dan moet ook het arbeidsmarktbeleid daarop inspelen. Met de nieuwe staatshervorming krijgen de deelstaten straks de instrumenten in handen om lastenverlagingen voor doelgroepen - zoals 55-plussers - toe te kennen. Bedrijven moeten daar een modern HR-beleid aan koppelen, zodat ouderen aan het einde van hun loopbaan andere taken in een bedrijf kunnen opnemen (denk aan de begeleiding van jonge werkkrachten). Op die manier zal de uitstapleeftijd inderdaad verhogen.

Maar tegelijk moet ook de wettelijke pensioenleeftijd op termijn stijgen. Dat heeft een psychologisch effect op de jongeren: zij weten dat ze langer moeten werken. Daarmee zou België hetzelfde doen als veel andere landen in de Europese Unie. In Duitsland stijgt de pensioenleeftijd in 2029 naar 67 jaar, op termijn is dat ook in Frankrijk de leeftijd voor een vol pensioen. Zelfs Spanje kiest voor het optrekken van de leeftijd.

De pensioenleeftijd koppelen aan de levensverwachting is een goed principe. Zweden kent zo'n systeem, met als gevolg een feitelijke uitstapleeftijd van ongeveer 65 jaar. De vergrijzingskosten bedragen er slechts een derde van de Belgische. Zweden werkt met een systeem van notionele rekeningen, waarmee een werknemer op basis van sociale bijdragen een kapitaal aan pensioenrechten opbouwt. Wie stopt op zijn 65ste met een levensverwachting van 85 jaar, krijgt jaarlijks één twintigste van dat bedrag. Ook de Zweedse vakbonden vinden dat een billijk systeem.

Onze partners