Lessen uit 1962
vrijdag 03 februari 2012 om 11u05
Van het conjuncturele front blijft er gemengd nieuws komen. Het IMF stelde onlangs zijn prognoses neerwaarts bij en ziet vooral miserie in de eurozone, waarvoor het nu uitgaat van een heuse recessie dit jaar.
Sommige voorlopende indicatoren voor het eurogebied geven dan weer een wat optimistischer beeld. In de VS komen behoorlijke groeicijfers op de tabellen, maar bij nader inzien speelt de aanvulling van de bedrijfsvoorraden, wat sowieso een tijdelijk fenomeen is, daarin een belangrijke rol. Over China doen uiterst verschillende berichten en scenario's de ronde. Kortom, een dubbeltje op zijn kant.
Er woedt een voortdurende discussie over wat er het volgende kwartaal en het komende jaar met de economische groei te gebeuren staat. Maar ook het fundamentele debat moet worden gevoerd: hoe kan deze groei het best verder aangedreven worden in de huidige omstandigheden. Want daar lijkt ondertussen iedereen wel van overtuigd: vooral het Westen heeft dringend meer groei nodig om zijn problemen structureel de baas te kunnen.
Deze discussie is allerminst nieuw. Exact vijftig jaar geleden rolden twee documenten van de pers die de essentie haast perfect weergeven. Hoe meer en hoe sneller de zaken veranderen, hoe meer ze blijkbaar ook hetzelfde blijven.
In 1962 verscheen van de hand van wijlen Milton Friedman zijn klassieker Capitalism and Freedom. Hij verdedigde daarin de stelling dat persoonlijke vrijheid en vrijemarkteconomie als een Siamese tweeling aan elkaar hangen. Voorts ging de godfather van de Chicago School in zijn boek nog maar eens in op het superieure vermogen van die vrije markt om welvaart te creëren. De overheid moet daarin een rol spelen (bijvoorbeeld voor de contractzekerheid), maar overspeelt al te vaak haar hand en strooit dan zand in het raderwerk. Friedman had vooral geen goed woord over voor de bijsturing van de economische gang van zaken door aanpassingen in het budgettaire en het monetaire beleid.
Jaarlijks verschijnt in de VS ook een Economic Report of the President waarin het economische beleid van de president uitgelegd en onderbouwd wordt. De editie 1962 zette de economische filosofie van de eerste regering van JF Kennedy op een rijtje en kreeg gedurende de voorbije halve eeuw haast legendarische allures. Het Economic Report komt altijd van de presidentiële Council of Economic Advisors. De eerste voorzitter van Kennedy's Council of Economic Advisers was Walter Heller. Maar de bezieler op de achtergrond was Paul Samuelson. Deze legendarische MIT-professor kreeg in 1970 de Nobelprijs voor economie. Een latere Nobelprijswinnaar, James Tobin, maakte ook deel uit van het JFK-economenteam. Samuelson, Heller en Tobin waren alle drie gepokt en gemazeld in de keynesiaanse visie op de economie.
Ook in academische kringen verwijst men nog met de regelmaat van een klok naar het Economic Report of the President van 1962 als het document bij uitstek waarin de klassieke keynesiaanse denksschema's haarfijn worden uitgelegd. De werking van de vrije markt schemert daarin meestal maar op de achtergrond. Het economische systeem leek, in grote tegelstelling tot de manier waarop Milton Friedman er over dacht (en ook in 1962 over schreef), voor deze keynesianen een amorf geheel dat door een intelligente overheid naar believen gemanipuleerd kon worden. Wat meer groei, wat minder inflatie,... Het kon allemaal via een uitgekiend monetair en vooral budgettair beleid behoorlijk scherp afgelijnd worden.
Anno 2012 zouden we slimmer moeten zijn, maar dat blijkt niet uit de feiten. Het keynesianisme in de structurele zin van het woord werkt duidelijk niet. Het liep in de jaren zeventig vast op de klip van de inflatie. De markt werkt ook niet altijd naar behoren. Sedert 2008 weten we dat we ongebreidelde vrijheid in de financiële markten niet kunnen tolereren. Over hoe we dat laatste moeten aanpakken, zijn de meningen dan weer verdeeld: hogere kapitaalvereisten voor de banken, meer gefragmenteerd bankieren, strakke reglementering, nationalisering,...
Een keynesiaans geïnspireerd beleid belette in 2008 de complete instorting van het financiële en economische systeem. De ervaring sindsdien leert dat je met een volgehouden keynesiaans stimuleringsbeleid de economie uiteindelijk ook niet op een gezond groeispoor kan brengen. Het blijft dus leren geblazen. Vallen en opstaan, waarbij documenten uit 1962 erg interessant leesvoer blijven.
Reacties
Monetarisme was een stap in de goede richting, maar Friedman sloeg de bal mis door te denken dat de overheid überhaupt nog een rol moet spelen: de optimum quantity of money. In een vrije markt maakt het totaal niet uit hoeveel geld er is, aangezien de prijs van geld (de koopkracht) zich aanpast naargelang de daar tegenover staande productie. Moest iedereen vannacht plots 100 euro meer in zijn zakken vinden, dan zouden de prijzen navenant stijgen. Hoewel hij het goed bedoelde (het monetaire martelen beperken, tot 3 % geloof ik) liet hij toch de deur open staan voor Keynesiaans beleid in die zin dat zolang het monster dat centraal bankieren heet nog enige legitimiteit heeft, het altijd terug zijn kop kan opsteken. Nieuw geld komt namelijk altijd érgens de economie binnen, verstoort de relatieve prijzen, en zorgt voor misallocatie van middelen, wat dan economische cycli op gang brengt. En ga dan nog maar eens de Keynesianen ongelijk geven die zeggen: "Zie je wel: anticyclisch beleid is noodzakelijk." Monetaristen beperken dus het kwaad, maar kijken het niet recht in de ogen. De Austrians wel. Wie hier meer over wil weten, schrijve zich in op de nieuwsbrief van SafeCapital: http://conference.safecapital.eu/newsletter/
Reageer
Opgelet: Het is niet mogelijk om anoniem te reageren. Uw loginnaam zal bovenaan uw reactie verschijnen.
Om een reactie te plaatsen, dien je geregistreerd te zijn:





Even geduld, a.u.b.
