19/06/13 om 15:49 - Bijgewerkt om 15:49

Onze regeringen moeten voor olifantspoot gaan in aanpak loonkosten

Eindelijk. De regerende politieke elite van dit land schiet wakker over de problematiek van te hoge loonkosten. Of beter gezegd: zo oogt het toch op basis van de verklaringen en de beleidssuggesties die sinds enkele dagen de ronde doen.

Premier Elio Di Rupo praat erover met de minister-presidenten van de regio's. De sp.a wil lagere loonlasten voor reconversiesteden. Open Vld legt aan de Vlaamse regering een aanwervingsplan voor, dat voorziet in 300 miljoen euro aan loonlastenverlagingen. Er circuleren nog diverse andere voorstellen, onder meer over een lagere belasting op overuren.

Hoe verdienstelijk ze ook zijn, al de voorstellen die ons ter ore kwamen, doen denken aan de behandeling van derdegraadsbrandwonden met een aftersuncrème. De ontsporing van onze loonkosten heeft ondertussen zo'n omvang genomen dat enkel een veel omvangrijkere en bredere ingreep dan nu op tafel ligt, zoden aan de dijk kan zetten. De recente gegevens van Eurostat hebben duidelijk uitgewezen dat onze loonkosten ook in 2013 verder uit de pas blijven lopen tegenover de drie buurlanden. Rekening houdend met het niveauverschil van de loonkosten en de verschillen in arbeidsproductiviteit is de conclusie onontkoombaar dat de loonkosten minstens 10 procent te hoog zijn.

Ook al om de geloofwaardigheid van het beleid te herstellen en bij te dragen tot het broodnodige herstel van het vertrouwen, doen onze regeringen er goed aan te proberen een olifantspoot neer te zetten in de aanpak van hoge loonkosten. Daarbij moet de aandacht niet enkel gaan naar de verlaging van de loonkosten, maar ook naar ingrepen die mensen meer kan motiveren om aan de slag te gaan. Uitgedrukt in economisch jargon: zowel de vraag- als de aanbodzijde dienen grondig onder handen te worden genomen. Zo'n olifantspoot zou er als volgt kunnen uitzien.

De loonkosten in de privésector bedragen in België op jaarbasis afgerond 130 miljard euro. Een vermindering van die loonkosten met 5 procent _ laten we politiek realistisch blijven _ komt dan neer op een ingreep van 6,5 miljard euro. Op 1 mei bleek dat ook ABVV-topman Rudy De Leeuw en sp.a-voorzitter Bruno Tobback ervan overtuigd zijn geraakt dat zo'n ingreep vele duizenden nieuwe banen oplevert. Vandaag telt de privésector in ons land 2,5 miljoen banen. Volgens de meeste studies zou een loonkostenverlaging van 5 procent op termijn 5 procent bijkomende banen opbrengen, of 125.000 banen. Aangezien één werkloze ongeveer 33.000 euro per jaar kost, is van die maatregel een terugverdieneffect van ruim 4 miljard euro te verwachten.

De belangrijkste ingreep die zich langs de aanbodzijde van de arbeidsmarkt opdringt, bestaat erin de nettolonen onderaan de loonladder te verhogen. Als de uitkeringsniveaus dezelfde blijven, zal de motivatie om te werken gevoelig toenemen. Zo kan worden voldaan aan de verhoogde vraag naar arbeid, die voortvloeit uit de daling van de loonkosten. De eenvoudigste en efficiëntste manier om de laagste nettolonen te verhogen, is het fiscaal vrijgesteld minimum _ het stukje brutoloon waarop geen personenbelasting verschuldigd is _ te verhogen. Daarvoor bijvoorbeeld 2 miljard euro op jaarbasis uittrekken, lijkt een zinvol streefcijfer.

De olifantspoot die we voorstellen, heeft dus een budgettaire kostprijs van 8,5 miljard euro. Dat het even duurt voordat de 4 miljard euro door de loonkostenverlaging is terugverdiend, ligt voor de hand. Maar als er één goede reden is om tijdelijk een iets groter begrotingstekort te rechtvaardigen, dan is het wel zo'n ingreep. De resterende 4,5 miljard kan komen van een tabla rasa in de doolhof van de uitzonderingen in onze btw-wetgeving. De lijst met uitzonderingen, vrijstellingen en verminderingen is ellenlang en heeft betrekking op een totaalbedrag van 7 à 8 miljard euro. Onder meer de OESO heeft de maatschappelijke efficiëntie van veel van die aftrekken al expliciet ter discussie gesteld. De helft van die 7 à 8 miljard euro moet kunnen worden geschrapt, zonder dat we zware maatschappelijke averij oplopen.

Het laatste onderdeel van de olifantspoot in de loonkosten betreft het overheidsapparaat. Er moet een engagement komen om één op de twee ambtenaren die met pensioen gaan niet te vervangen. De belangrijkste reden voor die ingreep zijn niet besparingen, want die zouden de eerste jaren vrij beperkt uitvallen. Dat blijkt onder meer uit de berekeningen van Geert Janssens van VKW Metena. Cruciaal is de verzekering dat er voldoende aanbod is op onze arbeidsmarkt, al is de verhoogde druk tot meer efficiëntie die daaruit ontstaat meegenomen. Vooral door de vergrijzing gaat de beroepsbevolking afnemen. Minder overheidsbeslag op het beschikbare arbeidspotentieel is een noodzakelijke voorwaarde om de loonkosten met succes te kunnen verlagen.

Het lijkt weinig waarschijnlijk dat in het huidige politieke bestel in de realiteit zo'n olifantspoot in de loonkosten wordt gezet. Dat betekent dat we met die zo belangrijke relatieve loonkosten achter de feiten blijven aanhollen. Maar met aftersun alleen redden we het echt niet.

Onze partners