21/12/10 om 14:54 - Bijgewerkt om 14:54

Het sociaal overleg moet over meer gaan dan het eenheidsstatuut en de loonnorm

De sociale partners hebben nog geen interprofessioneel akkoord voor de volgende twee jaar. Twee zware brokken liggen op tafel voor de onderhandelaars. Enerzijds het verschillende statuut van arbeiders en bedienden, anderzijds de afbakening van de loonmarge.

De contouren van wat een deugdelijk compromis voor die twee heikele thema's kan zijn, tekenen zich duidelijk af. Een upgrade van het arbeidersstatuut tot dat van de bedienden, zou erg nadelige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid. De zware ontslagvergoedingen eigen aan het bediendestatuut wegen, zo toont economisch onderzoek steeds weer aan, zwaar op de bereidheid tot aanwerven bij ondernemingen. Nu de creatie van jobs meer dan ooit een topprioriteit is, zou het wel erg fout zijn om van het bediendestatuut meteen het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden te maken. Sociale bescherming is prima, maar er kleeft wel onvermijdelijk een prijsticket aan, ook sociaal.

De tweede grote brok op de tafel van het sociaal overleg is de loonnorm. Het Belgische bedrijfsleven worstelt vandaag met een loonkostenhandicap die minimaal op 4 procent moet worden ingeschat, maar in de dagelijkse realiteit zich eerder in de buurt van de 10 procent zit. Nemen de sociale onderhandelaars de wet op het behoud van het concurrentievermogen ernstig en willen ze met enige geloofwaardigheid blijven pleiten voor meer jobs, dan moeten ze onmiddellijk de automatische loonindexering stopzetten.

Onze loonkosten moeten in reële termen - na aftrek van inflatie dus - naar beneden. Wat niet noodzakelijk betekent dat ook de nettolonen dalen. Komt zo'n ingreep er niet, dan schiet het sociaal overleg zijn doelstelling van werkgelegenheid en aanzwengeling van de economische activiteit eens te meer compleet voorbij.

Maar het sociaal overleg moet eigenlijk over meer gaan dan wat we hierboven aanhaalden. De sociale partners zouden tot een fundamentele discussie moeten komen over wat we het loontrilemma noemen. Zoals bij elk trilemma gaat het om het maken van keuzes. Op de hoeken van de driehoek staan drie doelstellingen die, hoewel elk op zich nobel en wenselijk, nooit alle drie tegelijk gerealiseerd kunnen worden. Kies je er twee, dan vervalt de derde. De drie doelstellingen zijn meer jobs, meer loongelijkheid en budgettair evenwicht. Dit laatste heeft in deze bange eurodagen toch wel enige extra relevantie voor een land als België.

Bijvoorbeeld: willen we meer jobs, dan moeten we kiezen tussen meer loongelijkheid en budgettair evenwicht. Waarom? Omdat meer jobs er zowel in de private als in de publieke sector kunnen komen. Kiezen we dan ook voor meer loongelijkheid, met uiteraard de tendens dat de laagste lonen in de richting van een soort gemiddelde zullen gaan, dan zullen een pak jobs voor de minder geschoolde en minder bedreven jobzoekers er niet komen in de private sector. Deze mensen zijn voor de ondernemingen dan gewoon te duur gegeven hun productiviteit. De overheid zal in dat geval massaal voor die 'lagere' jobs moeten zorgen, waardoor het budgettair evenwicht sterk onder druk zal komen.

Een andere mogelijkheid is dat we én meer loongelijkheid én budgettair evenwicht willen. Dat is een mogelijkheid, maar dan valt er weinig goed nieuws te rapen vallen voor de creatie van bijkomende jobs.

De derde optie is te kiezen voor budgettair evenwicht en meer jobs. De loonongelijkheid zal dan toenemen (dat is ook een van de funeste kenmerken van een algemeen geldende loonnorm aan).

Maar de overheid kan altijd onderaan de loonladder fiscaal bijsturen om de laagste nettolonen naar een fatsoenlijker niveau te tillen. In de huidige Belgische economie lijkt deze derde optie de enige verdedigbare vanuit het algemeen belang. Het valt echter te vrezen dat dit maatschappelijk belang helemaal niet samenvalt met het groepsbelang van elk der partijen aan de tafel van het sociaal overleg.

Onze partners