Jef Vuchelen
Jef Vuchelen
Jef Vuchelen is professor Economie aan de VUB
Opinie

31/08/10 om 18:13 - Bijgewerkt om 18:13

Het herstel van onze concurrentiepositie

Over de omvang van onze concurrentiehandicap zijn er verschillende cijfers. Alle indicatoren wijzen erop dat onze concurrentiepositie al vele jaren achteruitgaat.

Het herstel van onze concurrentiepositie

De looninleveringen die onlangs in vele landen werden genomen, lijken deze trend te bevestigen. Dit lokte nauwelijks reacties van het beleid uit. Nu de werkloosheid door de lage groei meer en meer een structurele vorm aanneemt, doemt het spookbeeld van een economie en land in verval op.

Een verzwakking van de euro helpt ons structureel nauwelijks. Weliswaar kan dit op korte termijn de negatieve gevolgen van onze slechte concurrentiepositie wat verdoezelen, maar doordat we grotendeels exporteren naar landen binnen de eurozone, blijft het gebrek aan concurrentiekracht negatief wegen op onze groei.
Naast het herstel van het evenwicht in onze overheidsfinanciën vormt de verbetering van onze concurrentiepositie toch wel de belangrijkste uitdaging. Beide problemen koppelen, biedt het voordeel van de duidelijkheid dat de concurrentiepositie niet kan worden verbeterd ten koste van de overheidsfinanciën.

De overheid heeft in het verleden de afronding van de tweejaarlijkse interprofessionele akkoorden niet proactief gebruikt, maar geregeld de kloof tussen de vakbondeneisen en wat werkgevers boden overbrugd. Structureel gezien was dit een bijzonder nefaste boodschap omdat de overtuiging van zowel vakbonden als werkgevers werd gevoed dat er ergens bij de overheid een verdoken spaarpot bestaat waaruit kan worden geput om de sociale vrede te behouden.

Hierdoor kan men stellen dat de overheid mee verantwoordelijk is voor de slechte concurrentiepositie. Een sociale crisis met zelfs stakingen had veel vroeger de aandacht kunnen vestigen op het probleem van de concurrentiepositie. De zo geprezen sociale vrede werd toch wel afgekocht tegen een hoge prijs, zeker voor de arbeidswillige werklozen.

Er blijft weinig anders over dan dat de privésector op korte termijn het concurrentieprobleem oplost. Verdere verbeteringen van de productiviteit zijn allicht moeilijk realiseerbaar omdat onze productiviteit al zo hoog is. Bovendien kan zo'n evolutie resulteren in een nog hogere werkloosheid.

Verbeteringen in onze productmix kunnen helpen, maar zijn op korte termijn niet haalbaar. Bovendien is het merendeel van de Belgische bedrijven gespecialiseerd in halfafgewerkte producten. De productmix hiervan verbeteren, is nog moeilijker dan voor afgewerkte producten. Hiermee is niet gezegd dat al deze mogelijkheden definitief opzij moeten worden geschoven, wel dat ze weinig bruikbaar zijn om op korte termijn de concurrentiepositie te verbeteren.

De enige veranderlijke waar de werkgevers en werknemers vat op hebben, zijn de loonkosten. Het rechttrekken van onze concurrentiepositie op korte termijn kan dus alleen via een verlaging van de lonen. Dergelijke ingreep is wellicht niet haalbaar tenzij we in een crisissituatie belanden. De Grieken zullen ook wel hebben gedacht dat de opgelegde besparingen onhaalbaar leken, maar eens de financiële markten de wet dicteren, blijkt veel te kunnen.

De vraag is welk van de twee scenario's we kiezen. In een eerste scenario nemen vakbonden en werkgevers een proactieve houding aan en besluiten ze op korte termijn iets drastisch te doen aan de concurrentiepositie. In ruil voor een loonsvermindering van toch enkele procenten moeten werkgevers maar hun taboe laten vallen en garanties geven over de werkgelegenheid. Dit scenario biedt vakbonden en werkgevers de mogelijkheid om de reële loonsinlevering in overleg te spreiden in de tijd.

Een tweede scenario houdt in essentie in dat we de fouten uit het verleden herhalen. Het interprofessioneel akkoord van het najaar, komt dan in grote lijnen overeen met vorige akkoorden. Wellicht gaat er iets meer aandacht naar de concurrentiepositie, maar fundamenteel verandert die positie niet. Erger nog, er is geen perspectief op enige verbetering.

De betrokken partijen zullen natuurlijk blij zijn dat er een akkoord is en zullen andere gelegenheden te baat nemen om te klagen over de hoge werkloosheid.

Ik hoop dat voor het eerste en niet voor het tweede scenario wordt gekozen. Een verbeterende concurrentiepositie is noodzakelijk om de nefaste gevolgen van zware saneringen op de economische groei te compenseren. Ik vrees dat het tweede scenario inhoudt dat de financiële markten België snel in de tang nemen, zeker als zou blijken dat het saneringsproces moeizaam verloopt.

Veel keuzevrijheid hebben we dus niet: vrijwillig of gedwongen onze reële lonen neerwaarts aanpassen. Willen we toch enige controle op onze economie behouden dan is de keuze snel gemaakt.

Jef Vuchelen, professor Economie aan de VUB

Onze partners