Het beste uit Trends 2013: En dan nu goed nieuws

23/12/13 om 10:13 - Bijgewerkt om 10:13

Bron: Trends

Tijdens de kerstvakantie blikt Trends.be terug op 10 topverhalen in Trends van het afgelopen jaar, geselecteerd door hoofdredacteur ad interim Daan Killemaes. Vandaag: het klavertjevier van het economisch herstel (28 februari).

Het beste uit Trends 2013: En dan nu goed nieuws

© Thinkstock

Bent u de woorden crisis, recessie, schulden, werkloosheid of begrotingstekort zo beu als koude pap? Laat de volgende vijf bladzijden dan uw hart verwarmen. Optimisme moet en mag weer, dankzij het klavertjevier van het economisch herstel.

Hoe lang duurt ze nog, de chronische crisis waarin het Westen na de implosie van de schuldzeepbel gesukkeld is? Dik vijf jaar sleept ze nu al aan, en de ellende kreeg al verschillende koosnaampjes, zoals de Grote Herbalancering, verwijzend naar de scheeftrekkingen die weggewerkt moeten worden, of de Ingedamde Depressie, verwijzend naar het agressieve monetaire en budgettaire beleid om de economie nog enigszins op de rails te houden. Maar hoe lang is het nog spitsroeden lopen? Een vuistregel zegt dat de opkuis van een gebarsten schuldenzeepbel ongeveer even lang duurt als het opblazen van die zeepbel. In dat geval moet de westerse economie zeven tot acht jaar door de woestijn, en is het vandaag nog te vroeg om victorie te kraaien.

Maar dat betekent niet dat er geen reden tot optimisme mag zijn. Onder het oppervlak gebeurt er heel wat, en dit klavertjevier legt het fundament voor een nieuwe opgaande fase in de wereld én in Vlaanderen: de innovators, de ondernemers, de investeerders en de energieleveranciers.

1. De innovators: iedereen zijn Silicon Valley

Harde economische tijden zijn vaak een goede voedingsbodem voor technologische doorbraken. De logica is eenvoudig: wie in moeilijke omstandigheden wil overleven, moet innovatief zijn.

Geen wonder dus dat overal ter wereld wordt gepoogd het succes van Silicon Valley te imiteren. De Californische cluster van winstgevende en hoogtechnologische bedrijven voedt en vernieuwt zichzelf voortdurend. Silicon Valley is in de jaren zeventig niet als bij wonder ontstaan. Innovatie is nooit het resultaat van een onbevlekte ontvangenis. Al meer dan honderd jaar wordt in Californië geïnvesteerd in hightech. En dat niet alleen door universiteiten en durfkapitalisten. Het Amerikaanse leger is er een van de grootste afnemers geweest van hoogtechnologische producten en diensten, vanaf de jaren dertig tot ver na de Tweede Wereldoorlog.

In Vlaanderen zie je met wat goede wil her en der iets gelijkaardigs ontstaan. Al de ondernemersactiviteit van internetbedrijven in het zog van Netlog roept in het Gentse spontane vergelijkingen op met Silicon Valley. En we hebben het Leuvense imec en andere onderzoekscentra, die in heel de wereld worden geprezen. Maar de sector waar we de jongste jaren écht mee kunnen uitpakken, is de biotechnologie. Onze uitgebreide gezondheidszorg is de ideale voedingsbodem voor heel wat biotechbedrijven. Met dank aan de voorzichtigheid en visie van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie kunnen we nu spreken van een echte Vlaamse biotechcluster. De kritische massa, de onderzoekstraditie en de goed uitgebouwde medische sector blijven belangrijke factoren voor het succes van onze biotechbedrijven. Daarnaast denkt deze sector al jaren internationaal, waardoor er altijd voldoende commerciële opportuniteiten zijn.

2. De ondernemers: met zes miljard zijn ze

Technologie op zich betekent meestal niet veel voor Jan Modaal. Pas als ondernemers de nieuwe technologie via producten en diensten concreet vormgeven, geniet de rest van de maatschappij er ook van. Wat ondernemers doen met nieuwe technologie, is de belangrijkste bron van economische en maatschappelijke vooruitgang. Welvaarts-creatie vereist ondernemerschap in het kader van een competitieve vrijemarkteconomie, en precies dat ondernemerschap heeft zich de voorbije twee decennia over heel de wereld uitgespreid.

Tot aan de val van de Berlijnse Muur eind 1989 en de marktgerichte hervormingen in China en India, was ondernemen vooral een zaak van West-Europa, Noord-Amerika, Japan, Australië en enkele kleinere landen. Dat beeld is grondig veranderd. Zowat de hele mensheid leeft nu in een of andere vorm van vrijemarkteconomie. Een explosie van ondernemingszin was het gevolg. Voor gevestigde bedrijven, vooral in het Westen, vormt deze explosie een enorme uitdaging. Nieuwe ondernemingen schieten als paddenstoelen uit de grond, waar ook ter wereld. De enorme welvaartsstijging in landen als China, India en andere opkomende landen is in hoge mate het gevolg van de toenemende entrepreneurial drive. In combinatie met een forse toename van de voorraad menselijk kapitaal, een gevolg van beter onderwijs en intensievere training, zorgt dat ervoor dat de welvaartskoek dagelijks groeit.

Economen discussiëren nog over de vraag of we ook kunnen spreken van de zogenoemde stijgende meeropbrengsten. Hoe meer menselijk kapitaal interfereert met meer ondernemerschap, hoe uitgesprokener de positieve resultaten voor de gemeenschap. Anders gezegd: zitten we in een periode van verdere versnelling van de potentiële aangroei van wereldwijde welvaart? Er zijn tekenen die in die richting wijzen, maar het is nog te vroeg om daar zeker van te zijn.

3. De investeerders: zij hebben de centen

Bedrijfsleiders met vijf minuten investeringsmoed, meer is in principe niet nodig om de westerse economie weer op de rails te krijgen. Tijdens de Grote Recessie van 2008-2009 klapten de bedrijfsinvesteringen in elkaar, om nooit echt te herstellen. Een klassiek en zichzelf voedend economisch herstel begint nochtans bij bedrijven die de investeringskraan opendraaien. Dat is de voorbije jaren niet gebeurd, met als gevolg dat het westerse bedrijfsleven een enorme investeringsachterstand opgelopen heeft. Een pessimist ziet daarin een hypotheek op onze toekomst, maar een optimist ziet het enorme inhaalpotentieel. Wat ontbreekt is de moed, of beter gezegd het vertrouwen om geld te pompen in een onzekere economische toekomst.

Iemand moet de impasse doorbreken, want het geld om de economie een zweepslag te geven is er, en wel in enorme hoeveelheden. Precies omdat ze de voorbije jaren zo weinig geïnvesteerd hebben, beschikken de bedrijven over grote cashreserves. Voor de VS en Europa worden de excessieve kasreserves (de cash die niet nodig is voor de normale bedrijfsuitoefening) geschat op elk ongeveer 2000 miljard dollar. Ook in België hebben de bedrijven een aardige spaarpot opzijgelegd van ongeveer 150 miljard euro aan cash en liquide middelen. Daar kan je al eens een nieuwe fabriek mee neerzetten.

Ook de winstgevendheid toont aan dat het westerse bedrijfsleven financieel relatief gezond is, al belette de eurocrisis een volledig herstel van de winstmarges in Europa en België. Ook de solvabiliteit is aan de beterhand, met Belgische bedrijven als uitblinkers, onder meer dankzij de notionele-intrestaftrek. Daarnaast kunnen de grotere bedrijven zich ook vrij goedkoop (her)financieren op de kapitaalmarkten.

De bedrijven zijn met andere woorden financieel bij machte om het herstel op gang te trekken. Nu nog durven. De jongste indicatoren wijzen op een schuchtere verbetering van het ondernemersvertrouwen in Europa. Als de politici de handrem loslaten, dan kunnen bedrijfsleiders eindelijk het investeringsgaspedaal induwen.

4. De energieleveranciers: bijna alle remmen los

De energieprijzen hebben de voorbije decennia meer dan eens de groei van de wereldeconomie gefnuikt. Want een groeiende economie betekent meer vraag, en meer vraag betekent hogere energieprijzen. De laatste keer gebeurde dat in 2008, toen olieprijzen tot 147 dollar per vat mee het lot van de wereldeconomie bezegelden. Vandaag betaalt het Westen nog altijd stevig door voor een vat ruwe olie, maar tegelijk slinkt met de dag de kans dat de wereld zich opnieuw vastrijdt in energieschaarste.

Ooit zullen historici de 21ste eeuw omschrijven als een van de meest boeiende periodes in de energiegeschiedenis. Hernieuwbare energie mag dan soms worden gecontesteerd wegens de vele subsidies, maar de opmars ervan lijkt onstuitbaar. Er blijven natuurlijk veel obstakels, met voorop de opslag van energie. Maar tegelijk gaat de ontwikkeling verder: na wind en zon, wordt gebroed op geothermie, getijden- en golfslagenergie, al dan niet op kunstmatige eilanden. Anderen dromen zelfs hardop over energie uit temperatuurverschillen, en energie uit zwaartekracht. Schrijf kernenergie ook niet te snel af. Duitsland wil ervan af, maar in Frankrijk, Finland en elders in de wereld worden nog altijd nieuwe nucleaire centrales gebouwd, en wordt volop onderzoek gedaan naar de vierde generatie kernreactoren.

Tegelijk is de kans zeer klein dat fossiele brandstoffen deze eeuw al ten grave worden gedragen. Schaliegas en -olie drukken de prijs van energie, en verminderen de afhankelijkheid van de wereld aan het Midden-Oosten. Al profiteren vooral de Verenigde Staten daarvan, en mogen die zich zelfs laven aan een herindustrialisering, gebaseerd op goedkope energie. In het dichter bevolkte Europa is de weerstand tegen het boren naar schalie-energie groter dan over de plas. Maar niet getreurd: dan gaan we op zoek naar conventionele oliebronnen. Door de uitbreiding van de Economische Zeeruimte vinden Noorwegen, Groot-Brittannië en zelfs Ierland opnieuw olie onder de zeebodem.

In België komt er steeds meer lijn in het verhaal van de marktliberalisering. Essent, Lampiris, Eni, Eneco en andere alternatieve aanbieders knabbelen steeds meer marktaandeel weg van de historisch dominante spelers, Electrabel op kop. Elders duiken allerlei nichebedrijven op, gaande van coöperatieven die in hernieuwbare energie investeren zoals Ecopower, over Stolt, dat mikt op grootverbruikers, tot REStore, dat het stroomverbruik van bedrijven inzet om het evenwicht op het elektriciteitsnet te bewaren. Al die nieuwe initiatieven verhogen de concurrentie, en drukken mee op de prijs. Al wil dat niet noodzakelijk zeggen dat de prijs van energie zal dalen. Want de gigantische investeringen in nieuwe stroomproductie en in het transportnet, moeten worden terugverdiend. En laat dat het goede nieuws zijn: de wereldeconomie zal bij machte zijn om die investeringen terug te verdienen.

Bent u al dat optimisme -- nu al -- zo beu als koude pap? Dan hebben we ook vier redenen om toch maar bezorgd te blijven.

De aanslepende eurocrisis. De acute fase van de eurocrisis lijkt voorbij, maar ze kan elk moment opflakkeren. De eurozone dreigt nu terecht te komen in een chronische crisis. Er wordt altijd net voldoende gedaan om een acute aanval te voorkomen, maar van de noodzakelijke structurele ingrepen komt niks in huis. Te veel hangt vandaag af van de uitspraken en beloftes van ECB-voorzitter Mario Draghi. Zowel de budgettaire afspraken als de bankenunie blijven onvolledig, terwijl Spanje, Portugal, Italië en zeker Griekenland diep in het moeras wegzinken. 60 procent jeugdwerkloosheid is ronduit hallucinant. Het risico op averij voor de hele Europese Unie blijft reëel.

Schuldophoping. De rijke landen zagen bijna zonder uitzondering hun schulden fors oplopen. Voor het geheel van de OESO-lidstaten nam de schuldgraad toe van 300 procent van het bbp aan het begin van de jaren tachtig naar ruim 700 procent in 2008 (zie grafiek). Sinds 2008 konden we ongeveer 50 procentpunt van die schuldgraad afpietsen -- de Amerikaanse gezinnen deden flink hun duit in het zakje --, maar de globale schuldratio moet hoe dan ook met minstens nog eens 200 procentpunt naar beneden. Zo'n schuldafbouw kan op diverse manieren gebeuren: door te besparen en te groeien, door inflatie en door een schuldherschikking. Elk van die opties weegt in min of meerdere mate op het groeipotentieel van de economie. Met die realiteit zitten we nog vijf of tien jaar opgezadeld.

Monetair beleid . De belangrijkste centrale banken van de wereld gaan sinds 2008 heftig tekeer om de financiële crisis te bestrijden. De rentevoeten op korte termijn schommelen al enkele jaren rond het nulpunt. Via een enorme explosie van de eigen balansen -- de Amerikaanse Fed maal 4, de ECB maal 2,5 -- worden ook de langetermijnrentes gedrukt. Stilaan doemen echter de onrechtstreekse en ongewilde gevolgen van zo'n laks monetair beleid op. Het gaat om bijkomende onzekerheid, verhoogde spaarneiging bij de gezinnen, moeilijkheden voor verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen, verhoogde kans op nieuwe zeepbellen en ontregeling van de financiële markten.

Protectionisme. Het monetaire beleid vormt ook de rechtstreekse aanleiding voor de wisselkoersoorlog waar de jongste weken veel over te doen was. Landen pogen hun wisselkoers naar beneden te halen om via betere exportperspectieven meer economische groei te kunnen realiseren. Vooral de Japanse regering is daarin actief. Maar actie leidt tot reactie, met als resultaat dat finaal niemand wint. De geschiedenis leert dat rondjes competitieve devaluaties steevast uitmonden in regelrecht en openlijk protectionisme. En dat kan de wereldeconomie, en zeker een kleine en open economie als de Belgische, missen als kiespijn.

JOHAN VAN OVERTVELDT, DAAN KILLEMAES, LUC HUYSMANS, ROELAND BYL EN STIJN FOCKEDEY

Onze partners