09/12/10 om 10:35 - Bijgewerkt om 10:35

Geen kwestie van onbegrip

Volgens de Duitse minister van Financiën, Wolfgang Schäuble, "begrijpen de internationale markten de euro niet".

Christine Lagarde, zijn Franse evenknie, vindt dan weer dat "Europa moeilijk om te begrijpen is voor de markten". Met deze enigszins van wanhoop druipende verklaringen zitten we bij het derde type van pogingen van Europese leiders om het europrobleem weg te praten. De eerste poging bestond erin de kwestie als een tijdelijk ongemakje te definiëren. Toen die lijn onhoudbaar werd, kregen "irrationele markten" en "perverse speculanten" alle schuld. En nu dus het simpele onbegrip van diezelfde markten.

Vergeet dit soort van doekjes voor het bloeden. De markten getuigen in deze van rationaliteit en begrijpen zeer goed waar het euroschoentje knelt. Het mag integendeel enige verwondering wekken dat het bijna tien jaar geduurd heeft voor de markten goed en wel in de smiezen kregen hoe de vork juist aan de eurosteel zit.
Het europroject was van bij de aanvang in de allereerste plaats een politiek project en veel minder een economisch-monetair onderbouwd initiatief. Bijvoorbeeld Jacques Delors, gewezen voorzitter van de Europese Commissie en misschien wel dé vader van het europroject, uitte zich daarover diverse malen zeer expliciet.

Niet toevallig kwam het streven naar een Europese eenheidsmunt écht van de grond in de slipstream van de Duitse eenmaking in 1990. De Franse president Francois Mitterrand deed de Duitse bondskanselier het project van een monetaire unie slikken onder dreiging van fors internationaal verzet tegen de Duitse eenmaking. De Bundesbank, de toenmalige Duitse centrale bank, weerde zich als een duivel in een wijwatervat. Het was de Fransen er inderdaad vooral om te doen de Duitse economische en monetaire hegemonie te breken.

Met de monetaire unie spande men de kar voor het paard. De monetaire geschiedenis is één lange getuigenis over de noodzaak van een politieke unie om ook tot een werkbare en efficiënte monetaire unie te komen. Andere basisvoorwaarden zijn een voldoende loon- en prijsflexibiliteit en arbeidsmobiliteit, net zoals een pan-Europees toezicht op de banken. Aan al die belangrijke voorwaarden voldeed het Europese project van een monetaire unie bij de start in 1999 duidelijk niet.

Economen waarschuwden van in den beginne voor de fundamentele constructiefouten. Die kritiek verstomde geleidelijk na de erg succesvolle start en eerste jaren van het europroject. Meer nog, een groeiende schare economen begon de stelling aan te hangen van de zogenaamde endogeniteit van de euro. Naarmate de monetaire unie operationeel is, zou de constructie geleidelijk beginnen te lijken op wat ze idealiter zou moeten zijn. Met andere woorden: ook al voldoet de aanvankelijk hoegenaamd niet aan de basisvoorwaarden, dan nog zullen na verloop van tijd, haast automatisch, die basisvoorwaarden wel ingevuld geraken.

Die laatste stelling is een kolossale misrekening gebleken. Om deze crisis af te blokken, moeten de Europese instanties en regeringen de basiseuvels van de euro echt aanpakken. Uiteraard kunnen zaken als een politieke unie en flexibele arbeidsmarkten niet in een handomdraai gerealiseerd worden. Dus rest er de beleidsverantwoordelijken niet anders dan met een erg geloofwaardige en eensgezinde stellingname te komen. Zulke initiatieven zijn, eufemistisch uitgedrukt, niet eigen aan de Europese politiek.

Bij ontstentenis van een klaar en duidelijk beleid ten gronde, zullen de markten zich op de realiteit van het wel en wee in de eurozone blijven richten. En die realiteit bevat nogal wat onaangenaamheden. We sommen er voor de vuist drie op, maar er zijn er meer. Eén: landen als Griekenland, Ierland en Portugal hebben absoluut economische groei nodig om uit de put te geraken. Kan dat zonder schuldherschikking en -vermindering (default)? Kan dat zonder devaluatie, en dus uittrede uit de euro?

Het antwoord lijkt ons veeleer neen. Twee: over de solvabiliteit van vele Europese banken heerst nog altijd grote onzekerheid. Kan men nog geloofwaardigheid toekennen aan stresstests uitgevoerd door de autoriteiten? Ook hier: eerder neen. Drie: komen ook Spanje en eventueel Italië en België onder zware druk, dan volstaat de 750 miljard euro in het Stabilisatiefonds echt niet meer. Moet dat fonds zwaar bijtanken, dan komt de budgettaire situatie van alle eurolanden onder nog zwaardere druk te staan.

De markten zouden de euro niet begrijpen? De Europese leiders kunnen maar beter een vierde type van retoriek in de mond nemen, namelijk erkenning van de realiteit.

Onze partners