Nationale Bank: loonkosten en overheidsuitgaven blijven groot probleem

12/02/15 om 08:27 - Bijgewerkt om 08:27

Bron: Trends

In haar nieuwe jaarverslag geeft de Nationale Bank van België twee belangrijke boodschappen mee aan de regering-Michel. Eén: de loonkostenhandicap ten opzichte van de buurlanden is nog altijd veel te hoog. Twee: de overheidsuitgaven zijn nog altijd niet onder controle.

Nationale Bank: loonkosten en overheidsuitgaven blijven groot probleem

De Nationale Bank van België © Belga

De federale regering en de sociale partners maken zich sterk dat de Belgische loonkostenhandicap van 2,9 procent ten opzichte van de buurlanden over twee jaar kan worden weggewerkt. In het net gepubliceerde jaarverslag van de Nationale Bank van België (NBB) komt dat cijfer van 2,9 procent loonhandicap -op basis van de uurloonkost en gemeten vanaf 1996- slechts kort aan bod.

De NBB besteedt meer aandacht aan de loonkostenhandicap per eenheid product. Dat is de loonkostenhandicap gecorrigeerd voor productiviteit. Die bedraagt 9,6 procent voor de eerste drie kwartalen van 2014. Beter dan het loonkostenverschil van 11,6 procent in 2013 maar zoals het rapport stelt "het gecumuleerde verschil ten opzichte van de voorbije 18 jaar blijft aanzienlijk." Lange tijd heeft België zijn hoge loonkost kunnen rechtvaardigen door te wijzen op de sterke productiviteitsgroei. Dit compenseerde de sterk stijgende uurloonkosten. Maar door de lage productiviteitsgroei is dat niet meer het geval. Gouverneur Luc Coene was tijdens de voorstelling van de cijfers dan ook duidelijk: "De Belgische loonkost blijft een probleem." Versta: het afbouwen van de loonhandicap moet de komende jaren een prioriteit van de federale regering blijven.

De Nationale Bank ziet heil in het verder verlagen van de lasten op arbeid en de zoektocht naar andere inkomstenbronnen. Bij deze taks shift weg van arbeid mag niet enkel gedacht worden aan vermogen, zo blijkt uit het jaarverslag. Eerst komen hogere indirecte belastingen via BTW aan bod. "Het vaste BTW-tarief in België (21%) ligt dicht bij het gemiddelde van het eurogebied, vooral sinds die tarieven in de meeste lidstaten zijn verhoogd. Daarentegen blijkt uit de ratio van de BTW-ontvangsten, die het verschil meet tussen de effectieve metingen en de theoretisch ontvangsten die zouden worden verkregen indien het vaste btw-tarief van toepassing zou zijn op de hele consumptie, dat dit verschil vrij groot is." In mensentaal: er kan nog werk gemaakt worden van de verhoging van bepaalde lage BTW-tarieven. De NBB is in haar jaarverslag trouwens kritisch voor het verlaagde BTW-tarief op energie dat door de vorige regering werd doorgevoerd. Verder wijst de Nationale Bank op de mogelijkheid om hogere milieubelastingen te heffen en op extra lasten op vermogen "al wordt kapitaal al met al zwaarder belast in België dan gemiddeld in het eurogebied."

Ander zwak punt van onze economie zijn de hoge Belgische overheidsuitgaven. De primaire overheidsuitgaven, dat zijn de uitgaven gecorrigeerd voor rentelasten bedroegen in 2014 51,4 procent van het bbp, een lichte vermeerdering ten opzichte van het jaar voordien. Die primaire uitgaven voor 2014 liggen ook een stuk hoger dan het gemiddelde voor de periode 2000-2013: 46,3 procent van het bbp.

Het probleem wordt des te prangender als we de evolutie van de uitgaven bekijken gecorrigeerd voor conjunctuurinvloeden (bij crisissen wordt er onder andere meer uitgegeven aan werkloosheid) en indexeffecten. In dat geval kwam de gecorrigeerde groei van de primaire uitgaven uit op 1,5 procent wat meer is dan de bbp-groei. Een meer gedetailleerde analyse leert dat de klassieke federale overheidsuitgaven(onder andere voor personeel, -0,4%) gedaald zijn maar dat de uitgaven voor de sociale zekerheid sterk bleven toenemen (+2,2%). Ook de uitgaven van de gemeenschappen en de gewesten (+2,9%) stegen sterk.

Gevolg is dat het primair saldo (ontvangsten min uitgaven zonder rentelasten) nu al jaren een jojo-beweging maakt rond de nul-procent grens. Nochtans is een primair overschot noodzakelijk om de kosten van de vergrijzing op te vangen en de staatsschuld af te bouwen. In 2014 bedroeg het primair saldo -0,2 procent van het bbp. In 2012 kleurde het met- 0,7 procent een stuk roder. Maar in 2000 was er een comfortabele buffer aangelegd met een primair saldo van 6,4 procent van het bbp. (AM)

Onze partners