Hoe de Europese groeimotor weer aanzwengelen

22/10/14 om 10:50 - Bijgewerkt om 10:50

In de eurozone lijkt de gastank van het monetaire beleid langzamerhand leeg. Kan begrotingsbeleid de Europese groeimotor weer in gang zwengelen? En zo ja, hoe? Door meer te besparen, of net door meer uit te geven?

Hoe de Europese groeimotor weer aanzwengelen

© reuters

De OESO zette onlangs het mes in de groeiprognoses voor de eurozone. De denktank voor rijke landen verwacht nu dat de economie dit jaar maar met 0,8 procent groeit in plaats van de eerder geschatte 1,2 procent. En ook het Internationaal Monetair Fonds denkt dat de wereldeconomie in de eerste helft van dit jaar trager is gegroeid dan eerst gedacht. Reden genoeg voor de OESO om de Europese Centrale Bank (ECB) op te roepen meer monetaire stimulansen te geven.

Nochtans doet Frankfurt al zijn uiterste best met onder meer een basisrente die tegen het nulpunt aanschurkt, een onbeperkte kredietverstrekking en spotgoedkope langlopende leningen. Deze maand komt daar nog een inkoopprogramma voor herverpakte bedrijfskredieten bij.

Daarom zit er misschien meer soelaas in die andere aanbeveling van de OESO: meer souplesse bij de begrotingsdoelstellingen. Het ziet er evenwel niet naar uit dat de nieuwe Commissie-Juncker snel zal raken aan de 3 procentnorm, de grens die het begrotingstekort niet mag overschrijden.

De overheden moeten hun schulden in toom houden. Komende van krap 59 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in het pre-crisisjaar 2007 zijn de overheidsschulden in de Europese Unie opgelopen tot 89 procent in 2014. In de eurozone ging het in diezelfde periode van 66 naar 94 procent. Dat moet terug naar 60 procent in minder dan twintig jaar, zo zijn de overheden overeengekomen.

Om hun schuldenberg af te bouwen, moeten landen een primair overschot boeken, dat is het begrotingssaldo zonder rekening te houden met de rentelasten. Daarbij zijn er drie voor de hand liggende opties: snijden in de uitgaven, belastingen opkrikken of een combinatie van beide.

Dat doet denken aan het befaamde dictum van oereconoom John Maynard Keynes dat als we allemaal sparen, we collectief armer worden. De vraag rijst of de landen die wel nog marge hebben om op korte termijn de economie via meer overheidsuitgaven of minder belastingen aan te zwengelen, daar geen morele plicht toe hebben.

Lossere buikriem

Niet alle landen die hun begrotingstekort nog wat mogen uitdiepen, hebben daar veel zin in. Niet alleen is er weinig animo om meer individuele schulden aan te gaan om het collectief verder te helpen, er is ook veel twijfel of dat überhaupt een verschil zou maken.

Voorstanders van een lossere buikriem grijpen steevast naar het gedachtegoed van Keynes, die stelde dat belastingverlagingen voor meer consumptie en dus ook meer economische groei zorgen. Toenemende overheidsuitgaven verhogen de werkgelegenheid en stuwen de belastingopbrengsten hoger terwijl de werkloosheidsuitkeringen dalen.

Op die manier zouden de overheidsuitgaven zichzelf als een goede investering terugbetalen. Als de schuld jaarlijks met 2 procent toeneemt, maar het bbp met 3 procent, smelt de schuldgraad - die de verhouding tussen beide weergeeft - geleidelijk weg.

Hogere belastingen zijn volgens de keynesianen te vermijden, omdat ze het besteedbaar inkomen van gezinnen verminderen en de loonkosten voor bedrijven verhogen. Dat betekent meer ontslagen en minder aanwervingen, wat vreet aan het economisch herstel.

Het is een aanlokkelijke redenering. Alleen wordt die het vaakst gepropageerd als wonderoplossing door de Europese lidstaten die het tegendeel al bewezen hebben. Het typevoorbeeld daarvan is Frankrijk, dat voor het laatst in 1974 een begroting in de plus kon afleveren en ondertussen een schuldgraad van ruim 94 procent heeft opgebouwd.

Ricardiaanse equivalentie

Ook de tegenstanders van meer begrotingsclementie hebben een economische reus in de rangen: David Ricardo. In 2010 verwezen zowel de toenmalige ECB-voorzitter Jean-Claude Trichet als de IMF-topvrouw Christine Lagarde naar de 'ricardiaanse equivalentie' als motivatie waarom ze niet achter budgettaire stimuli stonden.

De theorie komt erop neer dat het niet uitmaakt of de overheid haar uitgaven financiert door belastingen of leningen. Als ze bijvoorbeeld de belastingen verlaagt, verwachten gezinnen belastingverhogingen in de toekomst en zullen ze daarom meer gaan sparen. Wat ze zeker niet zullen doen, is meer besteden.

Volgens aanhangers van de ricardiaanse equivalentie zijn de keynesiaanse recepten futiel, aangezien burgers en bedrijven hun gedrag helemaal aanpassen. Een voorbeeld dat daarbij meteen in het hoofd schiet, is dat van België. Terwijl de staatsschuld in de voorbije jaren weer boven de 100 procent van het bbp is geklommen, steeg het bedrag op de Belgische spaarboekjes van 143 miljard euro in 2008 tot 255 miljard in juli 2014. Ook Italië zit in een soortgelijk parket waarbij de staat arm is, maar zijn burgers rijk.

Het grootste probleem van de ricardiaanse equivalentie is dat ze empirisch zwak uitvalt. In een studie die eerder dit jaar verscheen, schatten Thomas Meissner en Davud Rostam-Afschar van respectievelijk de Technische en Vrije Universiteit van Berlijn, dat slechts 38 procent van de mensen zich gedraagt zoals de theorie voorspelt.

'Snoeien om te bloeien'

Mocht het enkel tussen de volgelingen van Ricardo en Keynes gaan, zou de discussie beperkt blijven tot de vraag of flinke besparingen schadelijk zijn voor de economie, of op zijn best neutraal.

De voorbije jaren heeft echter een derde kamp met het adagium 'snoeien om te bloeien' een stevige opmars gemaakt. Hier luidt het dat hard besparen een positieve economische impact heeft. Een van de leiders is Alberto Alesina. De Italiaanse Harvard-econoom bezwoer de Europese ministers van Financiën in 2010 dat "zelfs scherpe verminderingen van de begrotingstekorten gepaard gaan met heel snel terugkerende groei in plaats van recessies". Forse besparingen worden volgens Alesina beter in één keer doorgevoerd in plaats van ze over twee tot drie jaar te spreiden omwille van de onzekerheid die een spreiding creëert.

De grote vraag is wat beleidsmakers met al dat ideologische geweld moeten aanvangen? Voortsaneren, of net meer uitgeven? Het antwoord ligt misschien niet bij een van de drie zienswijzen, maar bij een combinatie.

Lees het volledige artikel in Trends van deze week.

Lees meer over:

Onze partners