Het aanvullend pensioen, een noodzaak

15/11/14 om 08:47 - Bijgewerkt op 14/11/14 om 15:34

Uw wettelijk pensioen zal niet volstaan om uw levensstandaard na uw pensionering te behouden. Daarom is het belangrijk dat u kunt beschikken over een aanvullend collectief en individueel pensioen. Wat moet u daar zeker over weten?

Het aanvullend pensioen, een noodzaak

© Belga

Het wettelijk pensioen zal nooit genoeg opbrengen om uw levensstandaard van voor uw pensionering te behouden. U zult het dus met minder moeten doen, tenzij u het initiatief neemt om uw wettelijk pensioen aan te vullen. De overheid helpt daarbij door fiscale voordelen te geven aan de tweede en de derde pensioenpijler

De tweede en de derde pijler

De tweede pensioenpijler wordt gevormd door aanvullende collectieve pensioenen. Dat is het bijkomende pensioenkapitaal dat wordt opgebouwd in een bedrijf of in een bedrijfssector met bijdragen van de werkgever. De tweede pijler staat zowel open voor werknemers als voor zelfstandigen.

Zelfstandigen die actief zijn in een vennootschap, hebben de meeste mogelijkheden. Zij kunnen zowel een groepsverzekering als een individuele pensioentoezegging (IPT) als een vrij aanvullend pensioen afsluiten. Een zelfstandige die niet actief is in een vennootschap, kan in de tweede pijler alleen een vrij aanvullend pensioen (VAPZ) aangaan.

Een groepsverzekering kan alleen collectief worden afgesloten voor alle leden van een bepaalde groep, bijvoorbeeld voor alle zaakvoerders of alle bedrijfsleiders. Het is niet mogelijk één of enkele werknemers of zaakvoerders te bevoordelen. Met een individuele pensioentoezegging kan dat wel: iedere zaakvoerder, bedrijfsleider of werknemer kan individueel kiezen welk deel van zijn inkomen hij wil besteden aan dat pensioenplan.

De derde pijler bestaat uit individuele aanvullende pensioenvormen met een fiscaal voordeel. Er zijn voordelen voor het fiscale pensioensparen en voor de individuele levensverzekering. De derde pijler staat open voor alle belastingplichtigen _ dus zowel voor arbeiders als bedienden als zelfstandigen, met of zonder vennootschap.

De groepsverzekering

De groepsverzekering is een interessante spaarformule voor zowel loontrekkenden als zelfstandigen. Er zijn twee systemen: ofwel worden de premies integraal betaald door de werkgever of de vennootschap, ofwel betaalt de werknemer of de bedrijfsleider mee aan de premies. De premies die de werkgever of de vennootschap betaalt, zijn aftrekbare kosten, op voorwaarde dat de zogenoemde 80 procentregel wordt gerespecteerd. Dat betekent dat het pensioen dat via de groepsverzekering wordt opgebouwd, samen met het wettelijk pensioen van de werknemer of de bedrijfsleider, op jaarbasis niet groter mag zijn dan 80 procent van diens laatste normale brutobezoldiging. De persoonlijke bijdrage die de werknemer of de bedrijfsleider betaalt, geeft recht op een belastingvermindering van 30 procent, plus de uitgespaarde gemeentebelasting.

- Kapitaal opvragen op 65 jaar

De uitkering van het pensioenkapitaal gebeurt normaal gesproken op de einddatum van het contract de datum dat de verzekerde de officiële pensioenleeftijd bereikt. Al zijn er nog altijd groepsverzekeringen die aflopen op zestig jaar. De werknemer krijgt het nettobedrag uitgekeerd. Int u het eindkapitaal van uw groepsverzekering op uw 65ste en bent u de drie jaar daarvoor ononderbroken blijven werken, dan draagt u een eenmalig belastingtarief van 10 procent af.

-Vroeger opvragen

Dat tarief loopt geleidelijk op naarmate u het kapitaal vroeger laat uitbetalen. Bij een uitbetaling tussen 62 en 64 jaar draagt u een eenmalige belasting van 16,5 procent af. Bij een uitbetaling op uw 61ste is dat 18 procent, op uw 60ste 20 procent.

Voor het deel van het kapitaal dat wordt gevormd door persoonlijke bijdragen van de werknemer of de bedrijfsleider, geldt een tarief van 10 procent voor uitkeringen vanaf 60 jaar. Uitkeringen die worden gevormd door persoonlijke bijdragen voor uw 60ste, worden belast tegen 33 procent. Al die tarieven worden nog eens verhoogd met de gemeentebelasting.

-De uitkering in de praktijk

De werknemer krijgt van de verzekeraar een brief met de melding dat zijn pensioenleeftijd eraan komt en dat hij zijn aanvullend kapitaal kan opvragen", zegt Marijke Van Roijen, specialist employee benefits van ADD. "In principe krijgt hij dat schrijven in de maand voor zijn 65ste verjaardag. Dat document moet hij aanvullen en terugsturen naar de verzekeraar. De maand nadat hij 65 is geworden, krijgt hij het nettobedrag op zijn rekening gestort."

"Eigenlijk komt het erop neer dat de werknemer moet bewijzen dat hij nog in leven is en dat hij nog beroepsactief is. Dat laatste is nodig om aanspraak te kunnen maken op de laagste belastingvoet van 10 procent. Wie stopt met werken op 63 jaar en pas op 65 jaar zijn geld opvraagt, betaalt toch 16,5 procent belasting op het kapitaal."

"Gaat een werknemer uit dienst bij zijn werkgever, dan krijgt hij van de verzekeraar een zogenoemd benefitstatement toegestuurd. Dat gebeurt daarna niet meer. Op die manier ontsnapt die reserve al gauw aan de aandacht van die verzekerde." Marijke Van Roijen raadt werknemers daarom aan hun benefitstatements goed bij te houden en adresveranderingen en wijzigingen in hun burgerlijke staat onmiddellijk te melden. Dat moet schriftelijk gebeuren. Het is ook belangrijk de polisnummers van groepsverzekeringen goed bij te houden.

De overheid lanceert vanaf 2016 de Databank Aanvullende Pensioenen. Daar vinden particulieren een volledig overzicht van alle reserves die ze hebben opgebouwd, zodat er geen kapitaal verloren gaat.

Het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen

Ook het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ) behoort tot de tweede pensioenpijler. Die formule is enkel toegankelijk voor zelfstandigen _ ongeacht of ze actief zijn in een vennootschap _ en dus niet voor loontrekkende werknemers. "Het VAPZ is fiscaal interessant, omdat de betaalde premies niet alleen aftrekbaar zijn tegen het hoogste tarief van 50 procent (plus de uitgespaarde gemeentebelasting), maar ook omdat het een zelfstandige toelaat drie jaar na de aftrek van de premies minder sociale bijdragen te betalen", verduidelijkt Jannick Beyens, commercieel en productmanager bij het sociaalverzekeringsfonds Zenito.

- Gewoon en sociaal VAPZ

De premie die de zelfstandige jaarlijks mag betalen, bedraagt 8,17 procent van het inkomen waarop de sociale bijdragen worden berekend, met een maximum van 3027,09 euro per jaar (bedrag geldig voor het inkomstenjaar 2014). Sinds enkele jaren kunnen zelfstandigen ook een sociaal VAPZ afsluiten. In dat geval worden er niet alleen pensioenrechten uitbetaald, maar ook voordelen bij invaliditeit. Voor een sociaal VAPZ mag de verzekerde een premie van 9,4 procent van zijn inkomen storten, met een maximum van 3482,82 euro per jaar (bedrag geldig voor het inkomstenjaar 2014).

Een VAPZ biedt een gegarandeerd rendement dat ongeveer 1,5 à 2 procent bedraagt. Daarbovenop wordt een winstdeelneming toegekend, die afhangt van de resultaten van de verzekeraar. Die winstdeelneming is niet gegarandeerd. Het VAPZ loopt af bij de pensionering van de zelfstandige of als hij daarvoor zou overlijden. Aan het eind van het contract is op het gewaarborgde kapitaal belasting verschuldigd. De winstdeelnemingen zijn fiscaal vrijgesteld.

-Fictieve rente

"De belastingheffing gebeurt volgens het systeem van de fictieve rente", aldus Beyens. "Daarbij wordt jaarlijks een deel van het pensioenkapitaal bij het wettelijk pensioen gevoegd. Aangezien het wettelijk pensioen van zelfstandigen laag is, komen ze in lage belastingschijven terecht en blijft de belastingdruk beperkt. Als algemene regel geldt dat de zelfstandige in totaal ongeveer 13 à 15 procent betaalt op het eindkapitaal. Ook hier is er een voordeeltarief. Blijft de verzekerde werken tot zijn wettelijke pensioenleeftijd en int hij zijn pensioenkapitaal ten vroegste vanaf die leeftijd, dan wordt slechts 80 procent van het kapitaal omgezet in een fictieve rente."

De derde pijler

- Pensioenspaarverzekering of pensioenspaarfonds

Voor het fiscale pensioensparen hebt u de keuze tussen een pensioenspaarverzekering en een pensioenspaarfonds. Het belangrijkste verschil is dat u bij een fonds geen zekerheid hebt over het rendement. U krijgt ook niet de garantie dat uw ingelegde kapitaal integraal behouden blijft. Dat komt doordat een belangrijk deel van de premies worden belegd in aandelen. Bij een pensioenspaarverzekering krijgt u momenteel een gegarandeerd jaarlijks rendement rond de 1,5 en 2 procent, plus een winstdeelneming, afhankelijk van de resultaten van de verzekeraar.

U kunt per jaar maximaal 950 euro beleggen in een pensioenspaarverzekering of een pensioenspaarfonds (bedrag geldig voor het inkomstenjaar 2014). De belastingvermindering bedraagt 30 procent van de storting, plus de uitgespaarde gemeentebelasting. Banken en verzekeraars mogen per belastingplichtige maar één contract voor het pensioensparen afsluiten.

Als u het pensioenkapitaal opvraagt voor uw 60ste, wordt dat fiscaal zwaar afgestraft: u betaalt dan in principe 33 procent belastingen, plus de gemeentebelasting. Wacht u tot uw 60ste, dan moet u slechts 10 procent belasting betalen. Die eindbelasting is bevrijdend. De regering-Michel denkt eraan de belasting van 10 procent te verlagen tot 8 procent. Als u na uw 55ste verjaardag nog begint met pensioensparen en als u ten minste vijf stortingen hebt gedaan, wordt het kapitaal pas belast op de tiende verjaardag van de eerste storting.

- Traditionele levensverzekering

In de derde pensioenpijler kunt u ook een traditionele levensverzekering afsluiten. Op de betaalde premies krijgt u een fiscaal voordeel van 30 procent, plus de uitgespaarde gemeentebelasting. Het volstaat dat u bij een bank of een verzekeraar een zogenoemde fiscale polis afsluit. Het maximaal aftrekbare bedrag wordt elk jaar geïndexeerd en bedraagt voor 2014 per persoon 2280 euro.

Die aftrek is niet combineerbaar met het fiscale voordeel van een hypothecaire woonlening. Er wordt, net zoals bij het pensioensparen, op uw 60ste in principe een belasting van 10 procent ingehouden op de opgebouwde spaarreserve. De winstdeelneming is ook hier belastingvrij. Als u de polis na uw 55ste hebt afgesloten, wordt de belasting pas na tien jaar ingehouden. Ook hier gaat het om een definitieve eindbelasting.

Het volledige dossier leest u in Trends van 13 november

Lees meer over:

Onze partners