Roeland Byl
Opinie

12/12/11 om 12:06 - Bijgewerkt om 12:06

Europese innovatiemachine verliest terrein

Vlaanderen moet keuzes maken om de aansluiting met de kenniseconomie niet te verliezen. En het liefst ook slimme keuzes. Goed bedoelde verbeteringen in het innovatiebeleid dreigen echter te vergeten dat succesvolle innovatie in de eerste plaats een kwestie is van persoonlijkheden.

Smart specialisation is het leidmotief van het symposium dat de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) deze week in Brussel organiseert. De basis voor de discussie is een lijvig rapport dat de Europese Commissie dit jaar publiceerde over innovatie in de Europese Unie. Dat rapport maakt een tussentijdse balans op van de Europese ambitie om tegen 2020 van de Unie de innovatiefste regio ter wereld te maken. Het rapport is weinig bemoedigend: Europa slaagt er niet in zijn achterstand op de VS goed te maken, terwijl bovendien de competitie vanuit Azië in snel tempo toeneemt. In plaats van voorop te lopen, dreigt het Oude Continent achterop te geraken.

Volgens de Lissabon-norm moeten de Europese lidstaten 3 procent van hun bruto binnenlands product aan wetenschap en innovatie spenderen. Dat lukt maar niet. Om te beginnen, doen de Europese bedrijven minder duiten in het zakje dan elders in de wereld. Dat valt gedeeltelijk te verklaren door de dure en ingewikkelde octrooiwetgeving in Europa.

Europa verliest terrein. En voor een flink deel is dat een kwestie van demografie en loonkosten. Enig opportunisme is de winstgedreven en gemondialiseerde zakenwereld immers niet vreemd. Chinese onderzoekers of een programmeur in India kosten nu eenmaal een pak minder, en ondertussen zijn ook kennis en onderzoek een verplaatsbare grondstof geworden. Tegen 2014 zullen er in China overigens meer researchers rondlopen dan in de VS, Europa en Japan samen.

Bij wijze van troost kunnen we ons voorlopig nog op de borst kloppen over de kwaliteit van het Europese onderzoek. Jammer genoeg blijkt Europa het moeilijker te hebben om de resultaten van dat onderzoek ook in het bedrijfsleven economisch te valoriseren. De nieuwe remedie van Europa heet smart specialisation. Die aanpak valt met enig simplisme terug te brengen tot een formule waarbij beleidsmakers alleen nog willen investeren in die bedrijfstakken en onderzoeksterreinen waar we hier al sterk staan. Een toverformule is dat geenszins en het is maar de vraag of zo'n aanpak uiteindelijk voor het grootste welvaartsbehoud in een regio als Vlaanderen kan zorgen.

Wat de innovatiemanagers en beleidsmakers ook beweren, terugplooien op sectoren die al sterk zijn, is een defensieve reflex. Zeldzaam zijn de uitvindingen en de waardecreaties die ontstonden door vertrouwde paden te kiezen. Meer publieke middelen concentreren op terreinen die nu al sterk staan, lost bovendien de demografische achterstand met Azië niet op. We hebben nu eenmaal minder onderzoekers, en ze zijn bovendien nog te duur ook.

Niemand kan iets hebben tegen de modernisering van bestaande bedrijfsprocessen en de modernisering van sectoren die hier al sterk staan. Bekaert, Umicore en zelfs Volvo Gent kunnen dat beamen. Noem dat gerust innovatie en gebruik daarvoor zelfs belastinggeld. Maar verwacht niet alle heil van die strategie. De beste voetballers ter wereld vormen immers pas een wereldploeg met de juiste trainer. Zonder Steve Jobs zou Apple niet bestaan. Zonder Paul Janssen zou in Beerse geen succesvolle geneesmiddelenfabriek staan.

Hoewel beide ondernemers en wetenschappers totaal niet vergelijkbaar zijn, vertellen ex-medewerkers steeds hetzelfde verhaal: hun baas heeft de grenzen verlegd. Het lijkt onwaarschijnlijk dat onderzoekers ineens entrepreneurs worden omdat ergens in Brussel of Straatsburg wordt bepaald of hun onderzoek relevant is.

Onze partners