14/02/13 om 12:21 - Bijgewerkt om 12:21

De moeilijke koers van de euro

Het ging de Europese eenheidsmunt de jongste maanden voor de wind. Tenminste, voor zover je een algemene stijging van de koers van de euro ten opzichte van de belangrijkste andere wereldmunten als een goede zaak kan beschouwen.

Het ging de Europese eenheidsmunt de jongste maanden voor de wind. Tenminste, voor zover je een algemene stijging van de koers van de euro ten opzichte van de belangrijkste andere wereldmunten als een goede zaak kan beschouwen.

De koers van de euro levert nog maar eens een felle interne Europese discussie op. In Duitsland ziet haast niemand er graten in, terwijl de Franse president François Hollande luid oproept om de koers van de euro weer naar beneden te brengen. De meeste Zuid-Europese politieke leiders gaan daar minstens impliciet mee akkoord.

Vooral sedert de intussen beruchte uitspraak van ECB-voorzitter Mario Draghi van juli 2012 dat hij en de Europese Centrale Bank de euro zullen redden "whatever it takes", zit de internationale wisselkoers van de euro stevig in de lift. Ten opzichte van een gewogen gemiddelde van de munten van onze belangrijkste handelspartners is de euro sedertdien vrij rechtlijnig met ruim 10 procent gestegen. Ten opzichte van de Amerikaanse dollar ligt de stijging nog iets hoger en tegenover de Japanse yen gaat het zelfs om een opwaardering met ruim 30 procent.

Los van de vraag of die bewegingen al dan niet moeten worden gezien als de start van een internationale wisselkoersoorlog, staat het buiten kijf dat ze op kortere termijn een impact hebben op de economische groei. De Japanse regering zegt openlijk dat ze de yen wil afwaarderen om de groei te stimuleren. Als de euro min of meer zijn huidige koers aanhoudt, groeit de economie van de eurozone over 2013 met 0,5 procentpunt minder, berekende Morgan Stanley. Daarom gaat de zakenbank voor de eurozone in 2013 uit van een krimp met 1 procent. Internationale instellingen als de OESO en het IMF houden het bij een bescheidener terugval.

Uit dezelfde studie van Morgan Stanley blijkt dat, rekening houdend met fundamentele gegevens als onder meer inflatie, arbeidskosten, potentiële groei en exportprestaties, de evenwichtskoers van de euro ten aanzien van de dollar op 1,33 ligt voor het geheel van de eurozone. Dat is net onder de koers van 1,34 op dinsdagochtend 12 februari. De bank maakte die oefening ook voor de individuele lidstaten van de eurozone. Voor de Duitse economie zou 1,53 dollar voor 1 euro een 'normale' wisselkoers zijn. Voor Spanje daalt die evenwichtskoers naar 1,26, voor Frankrijk naar 1,23, voor Italië naar 1,19 en voor Griekenland zelfs naar 1,07. Met 1,19 zit België ook in het zwakkere peloton.

Op basis daarvan kan je besluiten dat de euro met zijn wisselkoers van 1,35 dollar voor de Duitse economie nog altijd een stevig ondergewaardeerde munt is. Anders uitgedrukt: de Duitse exportmachine kan best leven met zo'n wisselkoers. Het maakt ook duidelijk waarom mensen als Bundesbank-voorzitter Jens Weidmann en minister van Financiën Wolfgang Schäuble geen reden zien om in te grijpen.

Voor de economieën uit het zuiden van de eurozone en ook voor België ligt dat wel even anders. Vooral door een forse ontsporing van de relatieve loonkosten voor 2009 kampen al die landen met een stevige loonkostenhandicap. De klassieke manier om die concurrentiële handicap weg te werken, een devaluatie van de munt, is voor de eurolanden niet meer beschikbaar. Vergeet niet dat voor al die landen de handel met de partners in de monetaire unie veruit de grootste brok van hun export uitmaakt.

Door te kiezen voor een monetaire unie, en dus voor een eenvormig monetair beleid voor alle betrokkenen, heeft men wisselkoersaanpassing als instrument in het economisch beleid opgegeven. De ervaring van de jongste jaren leert dat het niet om een detail gaat. Er valt best te leven met het feit dat devaluatie (of revaluatie) van de munt niet meer mogelijk is, maar dan moet men zich daar ook correct op instellen. Duitsland heeft dat na de invoering van de euro gedaan via een ingrijpende flexibilisering van de arbeidsmarkt. België en zeker de zuiderse economieën van de eurozone hebben de zaken te veel op hun beloop gelaten. Het gevolg is dat ze er niet in slagen tot een substantiële en langdurige economische groei en creatie van jobs te komen. Het one size fits all monetair beleid, eigen aan een muntunie, wordt dan een sociaaleconomische val.

Belangrijke groepen in de politieke en syndicale elites van de meeste eurolanden schijnen nu pas te beseffen dat de keuze voor de euro geen gratuite optie was. De euro kan veel voordelen opleveren, voor alle euroburgers. Maar dan moeten de beleidsmakers wel de consequenties van het eurolidmaatschap onder ogen zien. Deze stelling heeft niks met ideologie te maken, maar alles met de boutade dat wie A zegt ook B moet durven te zeggen. Te veel bewindslui blijven ondanks alles simpelweg de A herhalen.

Johan Van Overtveldt

Onze partners