Het Belgisch concurrentievermogen is Zuid-Europees

15/12/10 om 12:16 - Bijgewerkt om 12:16

Bron: Trends

Ondanks een sterker dan verwachte groei, blijft de Belgische concurrentiepositie verzwakken. Zo ziet de OESO onze loonkostenhandicap verder oplopen.

Het Belgisch concurrentievermogen is Zuid-Europees

© belga

De Belgische economie groeide dit jaar met 2,1%, dat is sneller dan verwacht. Maar toch staan verschillende indicatoren van de Belgische competitiviteit op rood.

De beste manier om het concurrentievermogen van een land te meten, zijn de handelsprestaties. Dat gebeurt aan de hand van de handelsbalans. Het overschot stijgt dit jaar tot 1,2 procent van het bbp, tegenover 0,8 procent vorig jaar en een tekort in 2008. Die positieve cijfers verbergen echter een jarenlange neerwaartse trend.

Aan het einde van de vorige eeuw haalde de Belgische handelsbalans nog overschotten van 5 tot 5,5 procent van het bbp. Een overschot dat sinds begin deze eeuw daalt. Het huidige overschot en de recente stijging in 2009-2010 zijn een gevolg van de herneming van de wereldhandel en verhullen een dalende concurrentiekracht van de Belgische economie.

België is niet het enige Europese land met een structureel dalend saldo. Hetzelfde geldt voor Frankrijk, Italië en Spanje. Veel EU-landen moeten op de wereldmarkt rekening houden met de opkomende economieën, wier groei grotendeels op de export stoelt.

Maar anderzijds slagen landen als Duitsland en Nederland er wel in hun handelssaldo te doen toenemen. Ook hier loopt er grosso modo een grens tussen Noord- en Zuid- Europa. En België behoort tot de Zuid-Europese groep.

De belangrijkste reden voor de verzwakte exportpositie van de Belgische bedrijven is de loonkostenhandicap, in het bijzonder die ten opzichte van onze buurlanden. De Belgische export gaat bijna voor de helft naar Frankrijk, Nederland en Duitsland. In de vergelijking met die landen komt de Belgische loonkostenhandicap pijnlijk tot uiting, blijkt uit berekeningen van VKW Metena.

Een uur arbeid in de private sector kostte eind vorig jaar 12,7 procent meer dan in onze buurlanden. Als we die kostprijs corrigeren voor het Belgische productiviteitsvoordeel, houden we een loonkostenhandicap over van 9,5 procent.

Sinds 1996 (het jaar van de wet op het concurrentievermogen, die de loonkosten niet sneller mocht doen stijgen dan in onze buurlanden) zijn we er 6,1 procent op achteruit gegaan. En het wordt nog erger.

Geert Janssens van VKW Metena: "De OESO verwacht dat de loonkostenhandicap de komende twee jaar nog eens met 1,2 procentpunt stijgt, zodat dat de totale handicap sinds 1996 tegen eind 2012 zal zijn opgelopen tot 7,3 procent, altijd gecorrigeerd voor productiviteit. De OESO gaat daarbij voor de lopende interprofessionele onderhandelingen uit van een loonnorm van 5 procent."

De loonkostenhandicap is van eenzelfde grootteorde als degene die begin 1982 noopte tot een devaluatie van de Belgische frank.

"Vermits in de eurozone een devaluatie niet meer kan, moeten we de handicap wegwerken met een interne devaluatie. Een sterke loondiscipline dus, bijvoorbeeld door de loonkostenevolutie te koppelen aan die van Duitsland."

A.M.

Onze partners