Discussie rond Vlaamse Winkelnota

22/10/10 om 15:06 - Bijgewerkt om 15:06

Bron: Trends

De Vlaamse Winkelnota heeft het parlement bereikt. De gemoederen lopen hoog op. Kiest de Vlaamse regering wel de juiste vijand?

Discussie rond Vlaamse Winkelnota

© belga

Duitsland en de grote Joodse winkels uit de jaren dertig kwamen eraan te pas, toen de Vlaamse Winkelnota vorige week besproken werd in het Vlaams Parlement. Vooral de rechtse partijen zien de nota niet zitten: termen als betutteling, pampering en regulitis laten goed aanvoelen waar voor hen het probleem ligt.

'Winkelen in Vlaanderen', zoals de nota officieel heet, werd geschreven door minister-president Kris Peeters en minister van Ruimtelijke Ordening Philippe Muyters. De nota geeft in de eerste plaats weer hoezeer Kris Peeters zich bezorgd maakt over de leefbaarheid van onze stadscentra en dorpskernen. De ruggengraat van het beleid dat de Vlaamse regering wil voeren om die kernen te versterken, is de steun aan de kleinhandel. Niet verrassend, gezien het Unizo-verleden van de Vlaamse minister-president.

Al vanaf de eerste regels geeft de nota te kennen dat ze de ontwikkeling van de baanwinkels aan de stadsranden en langs de grote wegen als belangrijkste bedreiging ziet voor de detailhandel, die de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de binnensteden moet garanderen. De nota wil uitdrukkelijk voorkomen dat het in de toekomst gemakkelijker zou worden om initiatieven in de periferie te ontwikkelen dan om in het centrum te investeren.

De Serv (het adviserend orgaan van Vlaamse vakbonden en werkgevers) liet vrij snel weten dat hij wel het kernondersteunend beleid wil steunen, maar niet de uitgesproken tegenstelling met de ontwikkeling van de periferie. Volgens de Serv kunnen die twee onder bepaalde voorwaarden heel goed naast elkaar bestaan: Roeselare en Hasselt-Genk tonen bijvoorbeeld duidelijk aan dat evenwichten tussen grote en kleine distributie of tussen periferie en kern mogelijk zijn.

Fedis, de federatie van de (groot)distributie, vindt dat de Vlaamse regering de verkeerde vragen stelt en kant zich resoluut tegen de confrontatie tussen kern en rand. De kernen hoeven niet 'gepamperd' te worden en met wat buiten de centra gebeurt, is ook niets mis. Dat gemeenten zouden gaan beslissen waar op hun grondgebied schoenen, kleren of tuinmeubelen verkocht mogen worden, vindt ze meer dan één brug te ver: handelaren moeten zelf beslissen waar hun inplanting economisch het meest verantwoord is. Bovendien is een dergelijk betuttelend beleid alleen mogelijk met heel veel aanvragen en administratieve bemoeienis. Zelfs voor Unizo, dat wel voorstander is van de versterking van de mix tussen winkels binnen en buiten de stad, gaan plannen om subsidies te voorzien voor de kleinhandel (voor interieuraanpassingen, gevelbelettering, verpakking) veel te ver.

Al of niet expliciet wordt ook de vraag gesteld of de Vlaamse regering niet vergeten is om zich af te vragen waardoor de stadscentra en dorpskernen eigenlijk in de nesten zijn geraakt. En of een beleid rond bereikbaarheid en mobiliteit niet meer zoden aan de dijk zou zetten dan een demonisering van de baanwinkels.

Het winkeldebat blijkt vele beleidsdomeinen aan te raken. Het is dan ook een grondig en ruim debat waard.

Luc Baltussen

(bron Knack)

Onze partners