Belgische loonkostenhandicap kan halveren tegen 2019

01/07/15 om 11:06 - Bijgewerkt om 11:19

De concurrentie-ondersteunende maatregelen van de regering en de sociale partners doen de historische Belgische loonkostenhandicap dalen van 15,5 naar 12,5 procent, heeft het VBO berekend. Een taxshift door lagere werkgeversbijdragen gekoppeld aan loonmatiging, kan die handicap tegen het einde van de legislatuur zelfs halveren.

Belgische loonkostenhandicap kan halveren tegen 2019

© istock

De concurrentie-ondersteunende maatregelen van de regering en de sociale partners doen de historische Belgische loonkostenhandicap dalen van 15,5 naar 12,5 procent, heeft het VBO berekend. Een taxshift door lagere werkgeversbijdragen gekoppeld aan loonmatiging, kan die handicap tegen het einde van de legislatuur zelfs halveren.

In 2010 torste België ten opzichte van de buurlanden (Duitsland, Nederland en Frankrijk) in de privésector een absolute loonkostenhandicap van 16,5 procent. Vorig jaar was die licht gedaald tot 15,5 procent. Het VBO berekende dat dit loonkostenverschil tegen eind 2016 verder zal afnemen tot 12,5 procent. Een daling met een vijfde dus. Dat is een rechtstreeks gevolg van de maatregelen die de regering en de sociale partners de jongste tijd hebben genomen.

Er was om te beginnen het interprofessioneel akkoord dat de werkgevers plus ACV en ACLVB (het ABVV zei neen) eind januari hebben afgesloten voor de periode 2015-2016. Het voorziet in een maximale stijging van de loonkosten met 0,6 procent over twee jaar.

Daarnaast zijn er de regeringsmaatrelen die de loonevolutie in toom moeten houden. De meest in het oog springende is de indexsprong van 2 procent, wat betekent dat de lonen worden bevroren tot de index met 2 procent is gestegen. VBO-hoofdeconoom Edward Roosens: "Door de lage inflatie zal het effect van de indexsprong zich maar geleidelijk manifesteren en mogelijk nog effecten hebben tot in 2017. Bovendien zullen sectoren met een mechanisme van indexering op een vaste datum de lonen nog moeten indexeren, rekening houdend met de tot in maart 2015 vastgestelde inflatie." Anders gezegd: er moet in 2015 toch nog rekening gehouden worden met een beperkt effect van de automatische loonindexering. Het VBO schat die op een loonkostenstijging van 0,3 procent. Dat hoeft voor de Belgische concurrentiepositie geen probleem te zijn, integendeel. Door de aanpassing van de lonen aan de inflatie in de buurlanden zullen de loonkosten daar met 1,8 procent stijgen. De indexsprong doet de Belgische loonkostenhandicap dus met 1,5 procent dalen.

Daarnaast zouden volgens de Europese Commissie de reële loonkosten in de buurlanden in 2015-2016 met gemiddeld 1,8 procent stijgen. In België daarentegen zou die reële loonstijging slechts 1,1 procent bedragen. Er is eerst de al vermelde 0,6 procent van het interprofessioneel akkoord die volgens het VBO in de lopende sectorale onderhandelingen gerespecteerd wordt, en in een aantal sectoren zelfs lager kan uitvallen. Daarnaast is er de zogenoemde loondrift door baremieke loonsverhogingen en promoties. Die wordt op +0,5 procent geraamd. Het gevolg is dat de Belgische loonkostenhandicap op het niveau van de reële loonstijgingen met 0,7 procent afneemt.

En ten slotte is er de aangekondigde loonlastenverlaging van 900 miljoen euro voor 2016. Die komt overeen met een vermindering van de loonkosten met 0,8 procent.

Taxshift via patronale bijdragen

Zo wordt de absolute loonkostenhandicap teruggedrongen van 15,5 naar 12,5 procent. Roosens denkt dat het mogelijk moet zijn de historische loonhandicap tegen het einde van de legislatuur te halveren. Daar zijn twee voorwaarden aan verbonden. Ten eerste: ook na 2016 moeten de sociale partners blijven kiezen voor loonmatiging.

Ten tweede: de taxshift moet zich toespitsen op een vermindering van de arbeidskosten via de werkgeversbijdragen in de sociale zekerheid. Het VBO stelt al een tijd een extra lastenverlaging van 2,7 miljard euro voorop. Pas daarna moet er gekeken worden naar lagere lasten via de personenbelasting of de werknemersbijdragen. Maatregelen in bijvoorbeeld de personenbelasting versterken inderdaad de koopkracht van de burgers, is bij de werkgeversorganisatie te horen, maar dat geldt evenzeer voor een lastenverlaging via de patronale bijdragen. Die leidt tot jobcreatie en dus meer koopkracht.

Lees meer over:

Onze partners